enquete
 
Bekkema
 
warrenhove
 
damhus
 
bewegingscentrum
 
abd pluskrant banner
 
humanitas
 
museumdr8888
 
smelneserfskip
 
meldij
 
rebbers
 
Uitinmedia

 Lindeboom

 

nieuwsbrief sunenz

Kruidenier Niessink schepte met gemak
enorme slierten zuurkool in een zak.
Hij gaf mijn buurmeisje en mij een keer
plaatjes cadeau, doorzichtig en heel teer,
het ene rood, het andere groen. Of blauw?
Op beide plaatjes stond een boerenvrouw,
trots, in zowat dezelfde keuken, maar
legde je die plaatjes op elkaar,
dan werd het één tafereel, zo echt, zo diep,
alsof je zelf dwars door die keuken liep.

Geschiedschrijvers blijven datzelfde doen:
steeds een nieuw heden op het oude toen,
en het verleden wordt zo klaar als glas
en dieper dan toen ’t zelf nog heden was.
Men varieert de plaatjes eindeloos:
Romeinen, Grieken, ridders, farao's,
of, ’t allermooiste toch, de eigen jeugd,
waarvan ons misschien nog wel veel meer heugt
dan er ooit was, in ’t wijde vergezicht
van de ene prent die op de andere ligt.

Willem Wilmink (1936-2003)
uit: Javastraat (1993)



   

        Toen de laatste razzia door Rotterdam
        raasde was mijn vader zestien jaar
        en vijf maanden. Nog net te jong
        voor de Arbeidseinsatz.

        Ik stel me de lege straat voor,

        het geluid van laarzen in de kamer.
        Een soldaat spuugt op zijn persoonsbewijs,
        Steh' auf! Je ziet er jong en sterk uit.

        Ik stel me voor, nee dat lukt me niet,

        dat deze regels niet door mij –
        zoals zoveel bladzijden onbeschreven,
        zoveel levens afgebroken

        Eric van Loo (1957)

        uit: De regels van het spel (2016)

 De liefste sluimert naast mij in het kruid.
        Onder mijn arm door lig ik naar haar te staren.
        Soms laat de wind haar zachte lange haren
        strelen over mijn rug, mijn naakte huid.

        Ik luister naar het ijl ruisend geluid

        – mijn adem gaat in rythme met de hare –
        naar het verre doffe bruisen van de baren
        en naar een wulp, die schor, weemoedig fluit.

        Er ligt een wijding over het ongerepte land.
        Het is te stil om veel en snel te praten,
        enkel een zoen, heel vluchtig op haar hand.


        De zilte schorren en het wijde zand
        zijn aan ons twee alleen overgelaten.
        Er is geen einder en geen overkant.


        Hans Warren (1921-2001)

Poezië/Taal

Toen ik verloofd was met René

die zoveel hield van Hemmingway,
las ik het werk van Hemmingway
omdat dat werk me zoveel dee.
Maar toen het uit was tussen ons,
toen kreeg ook Hemmingway de bons.

Daarna was ik met Guus verloofd
en kende Ibsen uit mijn hoofd.
Later, met Peter, hield ik zo
enorm van Valéry Larbaud.

Maar ik ben nooit verloofd geweest
met iemand die Homerus leest,
en ik heb nooit een man bemind
die Rabelais het hoogste vindt.

En dus zijn er nog verscheiden gaten,
helaas, in mijn cultuur gelaten.
Ik hoop nog altijd op Pascal,
maar wat dan ook, in elk geval:

hoe meer het aantal liefdes stijgt
hoe meer ontwikkeling men krijgt.

Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
uit: Die van die van u (2014)