enquete
 
Bekkema
 
warrenhove
 
damhus
 
bewegingscentrum
 
abd pluskrant banner
 
humanitas
 
museumdr8888
 
smelneserfskip
 
meldij
 
rebbers
 
Uitinmedia

 Lindeboom

 

nieuwsbrief sunenz

 

Ik werkte naarstig bij 't fornuis
En kookte consommé
Daar had ik knikkers in gedaan
En zeven lepels thee.
Daar dreven stukjes lever in
En een bouquet garni,
Een veter en een vijgeblad
En schijfjes zoute knie.
Ik deed er zinkzalf in en was
En zeewier en azijn,
Twee lepels lijm, drie staafjes lak,
Vier maatjes terpentijn,
Een handvol hooi, een half ons klei
En drie pond zoute vis,
Twee rollen bloemetjesbehang,
Een halve fles vernis.
Ik roerde er een briefkaart door,
Een fietsbel en een bril,
Het staartstuk van een zondebok
En een kininepil.
Maar toen ik Mientje proeven liet,
En naar haar oordeel vroeg,
Riep zij: 'Jij aap! Je leert het nooit.
Het is niet zout genoeg.͛

Daan Zonderland (1909-1977)
uit: Redeloze Rijmen (1952)

taal in de zorg 211116JE7676a

 

Maatwurk Ondersteuning

Ciska Noordmans

Het is rustig als we door de transparante deur van de directiekamer, de werkplaats van Maatwurk Ondersteuning, naar binnen gaan. De mensen zijn aan het werk, maar de zaagmachine gaat meteen uit. ‘Dat is de afspraak’, vertelt Jetze de Vries. ‘Als we met bezoekers in de werkplaats zijn, gaan de machines uit, anders kunnen we elkaar niet verstaan. Dat is ook maatwerk.’ Jetze de Vries is een van de twee directieleden van Maatwurk Ondersteuning in Gorredijk. Hij houdt zich bezig met het personeel en alles rondom de productie. Onno Hofstra is de andere kapitein op het schip en heeft o.a. het beleid, de zorg en de ICT onder zijn hoede.

“De mensen hier zijn allemaal bijzonder en uniek”

‘Maatwurk dekt precies de lading van alles wat hier gebeurt’, legt Onno Hofstra uit. ‘We leveren diensten op maat, maar ook de producten. De mensen die hier werken, zijn allemaal bijzonder en uniek. Ze hebben een hulpvraag, waar wij ‘op maat’ mee omgaan. Wij bieden hun werk en begeleiding die bij hen past.’
Maatwurk Ondersteuning is niet een bedrijf zoals alle andere. Hier zijn mensen aan het werk met een verstandelijke beperking, met het syndroom van Down, mensen met niet-aangeboren hersenletsel en mensen die kampen met een psychische aandoening. De laatste groep is ook een bijzondere. Deze werknemers hebben soms een hbo- of universitaire opleiding, maar kunnen toch niet optimaal functioneren in het dagelijkse bedrijfsleven.

De beide directeuren zetten taal bewust in als middel om te communiceren. Onderling communiceren zij in het Fries en met de cliënten die zich het beste in deze taal uitdrukken ook. Nederlandse moedertaal sprekers worden in hun eigen taal benaderd. In een gezamenlijk overleg met ouders, wordt het Nederlands ingezet. Niet vanwege de hogere status maar simpelweg omdat niet alle ouders het Fries machtig zijn, en het van belang is dat iedereen de boodschap over het functioneren van zijn of haar kind meekrijgt.
In de contacten met bedrijven ligt dat anders. ‘Ik begin altijd in het Nederlands’ vertelt Jetze de Vries, ‘ik moet eerste even aftasten of de ander het Fries machtig is’ verontschuldigt hij zich. Onno Hofstra gaat op zijn gevoel af en maakt een inschatting van zijn gesprekspartner. Of hij er weleens naast zit? ‘Nee, meestal klopt het’ onderstreept hij zijn handelen. Fries maakt de communicatie gemoedelijker, ‘eigener’ vertelt Onno. Niet alleen taal heeft invloed op de communicatie maar ook kleding kan het verschil maken. Een man in pak roept een ander taalgebruik en een andere voorkeurstaal op dan een man in overal, zo ervaart het directeurskoppel.


Jetze de Vries: ‘Maatwurk Ondersteuning geeft een plek aan cliënten om de dag zinvol door te komen, de “dagbesteding”. Van hen verwachten we geen productie. Dat betekent dat zij aan de slag gaan in de werkplaats of in de groenvoorziening. Ook zij hebben begeleiding nodig. Sommigen moeten wat afgeremd worden en anderen krijgen een duwtje in de rug. In tegenstelling tot de cliënten voor de dagbesteding zijn hier ook werknemers die meer arbeidsmatig bezig zijn. Zij moeten voldoen aan eisen op het gebied van kwaliteit, tempo en productie. En als het in hun mogelijkheden ligt, kunnen zij diploma’s en certificaten halen voor bijvoorbeeld het werken met de zaagmachines.’

‘Het is voor onze werknemers belangrijk dat zij structuur aangeboden krijgen, dat zij weten wat van hen wordt verwacht. In deze structuur kunnen de mensen elkaar ontmoeten, kunnen zij meedoen in het arbeidsproces, ontstaan er vriendschappen en kunnen zij zich aan de ander optrekken’, vult Onno Hofstra aan. ‘Bij ons worden mensen van verschillende niveaus aan elkaar gekoppeld. Degene met het laagste niveau kan bijvoorbeeld de schroeven aangeven, terwijl de andere de kast in elkaar zet. Samen maken ze de kast en zijn zij trots op hun aandeel. De ene als begeleider en de ander als assistent.’
Bij Maatwurk kunnen cliënten aangeven of ze liever in het hout, in de groenvoorziening of in de supermarkt willen werken. Begeleiding bij een extern bedrijf kan ook. ‘De juiste plek hangt niet alleen af van de eigen voorkeur, maar het karakter speelt ook mee’, zegt Jetze de Vries. ‘Het werken met machines vraagt nogal wat van mensen en soms is het verstandiger als cliënten eerst een poosje met ander werk beginnen, zodat zij routine, rust en structuur ervaren.’

In de werkplaats lopen de werknemers in en uit. De leeftijd varieert van schoolverlater tot AOW’er, maar de jongvolwassenen hebben de overhand. Er zijn overwegend jongens en een klein aantal meiden bij Maatwurk actief. Ieder op z’n eigen plek. Allemaal dragen zij herkenbare kleding: een rode sweater of T-shirt met de opdruk ‘Maatwurk’ op hun borst. ‘Ik draag Maatwurk op mijn hart’, zegt Henk, die onder anderen de catering en de boodschappen voor zijn rekening neemt. ‘Maatwurk is het mooiste bedrijf dat er bestaat.’ Hij klopt met zijn hand op het logo van zijn trui, tilt z’n trui op en laat het T-shirt zien met hetzelfde logo erop. ‘Op het hart’, benadrukt hij nog eens. Hij glundert en is zichtbaar trots op zijn plek in deze mini-maatschappij.

“De cliënten worden het meest geraakt wanneer jij hun taal spreekt”

‘Maatwerk leveren we ook wat de taal betreft’, vult Onno Hofstra aan. ‘De cliënten die Fries spreken, spreken we in het Fries aan en Nederlandstaligen benaderen we in hun eigen taal. De cliënten worden het meest geraakt als jij hun eigen taal spreekt. Dat betekent dat je de taal aanpast. Nederlands of Fries, maar ook de woordkeuze beïnvloedt de sfeer en hoe we met elkaar omgaan. Harde woorden doen andere dingen met zachtmoedige mensen als met mensen die wat minder gevoelig zijn. En niet iedereen is opgegroeid met dezelfde woordenschat of in hetzelfde milieu natuurlijk. Bij Maatwurk proberen we aan te sluiten bij de mensen, hen te sturen en, als het mogelijk is, naar een hoger niveau te tillen. Maar alles op maat natuurlijk!’

Als mensen gaan trouwen, wordt vaak gezegd dat ze een boterbriefje gaan halen. Oorspronkelijk heeft het woord echter een minder vrolijke betekenis. Het was bedoeld voor de zwakke mensen in de samenleving.

Het boterbriefje was een kerkelijke vergunning om tijdens de vastenperiode toch boter, kaas, eieren en vlees te kunnen eten. Mensen die lichamelijk te zwak waren om zich aan de vastenregels te houden, konden hier door middel van het briefje een ontheffing voor krijgen. Later werden ook andere officiële documenten aangeduid met het ‘boterbriefje’, zo ook de trouwakte.
Dat de benaming ook spottend voor in het huwelijk treden wordt gebruikt, zou ook kunnen komen door de vergelijking van het consumeren van vlees met de consumptie van vleselijke gemeenschap na het huwelijk. Vroeger was het namelijk veel meer dan nu gebruikelijk dat men pas het bed met elkaar deelde nadat er getrouwd was.

Andere verklaringen
Er is nog een ander verklaring voor de herkomst. Het begrip zou namelijk uit de Eerste Wereldoorlog komen, toen – door de schaarse goederen – het bonnensysteem werd ingevoerd, dat ook tijdens de Tweede Wereldoorlog werd gebruikt. Tijdens de Eerste Wereldoorlog kon je meer bonnen krijgen, als je meer kinderen had. Om aan te tonen hoeveel kinderen je had, moest je je trouwboekje meenemen, waar de kinderen stonden aangetekend. Daardoor werd het trouwboekje ook een soort boterbriefje.

In deze laatste week van de advent
zou het moeten gaan sneeuwen: ieder jaar
zijn het dezelfde dingen waar je naar
verlangt. Dus sneeuwt het niet; maar alles went.

Je steekt de kaarsen aan op het dressoir,
en denkt aan alle doden die je kent.
Terwijl je wacht op een gemist moment
schuiven de dagen naadloos in elkaar.

Je poogt je tegen beter weten in
iets te herinneren wat er niet was,
omdat wat weg is diepte heeft en zin.

Je draait muziek, drinkt thee, je leest een boek
dat je ook lang geleden al eens las.
Maar alles is onachterhaalbaar zoek.


Jean-Pierre Rawie (1951)

Dit spreekwoord wordt gebruikt als iemand zijn verdiende straf krijgt. Er zit een toontje van leedvermaak in deze uitspraak, vergelijkbaar met ‘eigen schuld, dikke bult’. Het spreekwoord ‘boontje komt om zijn loontje’ bestaat al sinds de zeventiende eeuw en is volgens de meeste verklaringen afkomstig uit een sprookje.

In het spreekwoord ‘boontje komt om zijn loontje’ betekent ‘komt om’ letterlijk: ‘krijgt’. Boontje krijgt dus zijn verdiende loon. Bijzonder is dat de Vlamingen het spreekwoord ook in omgekeerde volgorde kennen: ‘loontje komt om zijn boontje.’ Maar wie was die Boontje nu precies?

Boontje krijgt zijn loontje
Het spreekwoord komt voor het eerst voor in de zeventiende eeuw. Onder meer de taalkundige F.A. Stoett verwijst hierbij naar de Klucht van Oene (1662) van de Nederlandse dichter en toneelschrijver Jan Vos (ca.1610-1667). In dit toneelstuk van Vos is het sprookje, met Boontje als een van de hoofdfiguren, voor het eerst volledig opgenomen. De sprookjesschrijvers Jacob Grimm(1785-1863) en Wilhelm Grimm (1786-1859) gebruikten later hetzelfde sprookje, uiteraard vertaald naar het Duits, onder de titel Strohhalm, Kohle und Bohne. Deze tekst is te vinden in een van de delen van hun verzameld werk Kinder- und Hausmärchen (1812-1857).

In de Klucht van Oene vertelt een van de spelers, een zekere ‘Geile Fijtje’ (de vrouw van Oene) een sprookje. Ze begint als volgt:
Ja ik zel jou et sprookje van Erritje / Boontje / Strootje en Kooltjevier zeggen…
Deze Erwtje, Boontje, Strootje en Kooltjevier (een kooltje vuur) gaan samen op pad. Als ze voor een brede sloot staan waar ze niet zomaar overheen kunnen, doet Strootje een aanbod. Hij wil wel even over de sloot gaan liggen, zodat de rest via hem de overkant kan bereiken. Dat lijkt goed te gaan, want Erwtje en Boontje komen veilig aan de overkant. Als Kooltjevier een poging doet, vliegt Strootje in brand – waarbij hij doormidden brandt – en plonst Kooltjevier in het water. Boontje komt niet meer bij van het lachen. Hij lacht zelfs zo hard…
…dat zijn naersje [buikje] scheurde.

Dat is zijn verdiende ‘loon’, omdat Boontje anderen uitlacht. Maar gelukkig blijkt er een kleermaker in de buurt te zijn, die Boontjes buik met een fraaie zwarte draad weer dichtnaait. En bij alle ‘boontjes’ die in de toekomst ook de fout van Boontje maakten, zou de buik op dezelfde manier dichtgenaaid worden:
Seur [sedert] die tijdt hebben al de Boontjes zwarte lapjes veur heur naers ehadt.

Dit sprookje is niet alleen de bron van het spreekwoord ‘Boontje komt om zijn loontje’, maar verklaart tevens waarom bruine bonen een donkere naad hebben.

Het schimmelpaard van Sinterklaas
ontmoette plotseling zijn baas.
'Ik ben,' zo sprak de Sint beknopt,
'per vliegtuig uit de lucht gedropt.'
-- 'Dat dacht ik al,' sprak toen dat paard,
'U hebt een droplucht aan uw baard.'


Kees Stip (1913-2001)

Als mensen gaan trouwen, wordt vaak gezegd dat ze een boterbriefje gaan halen. Oorspronkelijk heeft het woord echter een minder vrolijke betekenis. Het was bedoeld voor de zwakke mensen in de samenleving.

Het boterbriefje was een kerkelijke vergunning om tijdens de vastenperiode toch boter, kaas, eieren en vlees te kunnen eten. Mensen die lichamelijk te zwak waren om zich aan de vastenregels te houden, konden hier door middel van het briefje een ontheffing voor krijgen. Later werden ook andere officiële documenten aangeduid met het boterbriefje, zo ook de trouwakte.

Dat de benaming ook spottend voor in het huwelijk treden wordt gebruikt, zou ook kunnen komen door de vergelijking van het consumeren van vlees met de consumptie van vleselijke gemeenschap na het huwelijk. Vroeger was het namelijk veel meer dan nu gebruikelijk dat men pas het bed met elkaar deelde nadat er getrouwd was.

Andere verklaringen

Er is nog een ander verklaring voor de herkomst. Het begrip zou namelijk uit de Eerste Wereldoorlog komen, toen – door de schaarse goederen – het bonnensysteem werd ingevoerd, dat ook tijdens de Tweede Wereldoorlog werd gebruikt. Tijdens de Eerste Wereldoorlog kon je meer bonnen krijgen, als je meer kinderen had. Om aan te tonen hoeveel kinderen je had, moest je je trouwboekje meenemen, waar de kinderen stonden aangetekend. Daardoor werd het trouwboekje ook een soort boterbriefje.