enquete
 
Bekkema
 
warrenhove
 
damhus
 
bewegingscentrum
 
abd pluskrant banner
 
humanitas
 
museumdr8888
 
smelneserfskip
 
meldij
 
rebbers
 
Uitinmedia

 Lindeboom

 

nieuwsbrief sunenz

 De plaat poetsen

Betekenis: er heimelijk vandoor gaan, zich uit de voeten maken.

Verklaring: Deze uitdrukking betekent oorspronkelijk deserteren. Wie zich van de groep verwijderde met het voorwendsel de kolfplaat van zijn musket te gaan poetsen en daarna niet meer opdook was gedeserteerd. Een andere verklaring houdt verband met het feit dat de musket zo zwaar was (ca. 9 kilo) dat deze bij een aftocht vaak niet normaal gedragen kon worden. De musketier sleepte dan het wapen achter zich aan, waarbij de kolfplaat over de grond schuurde en aldus werd “gepoetst”.

Aanloop en afstoot waren welberekend
voordat hij zich verhief tot deze reis,
glanzend-wit staat zijn smalle lijf getekend
tegen een eindeloos-diep zilvergrijs.
Zie! die ons snel en argeloos heeft verlaten,
wiens schaduw danste over ons gezicht,
houdt nu – subliemste aller acrobaten –
de wereld op een mast in evenwicht.
Han G. Hoekstra (1906-1988)
ik geloof in een rivier
die stroomt van zee naar de bergen
ik vraag van poëzie niet meer
dan die rivier in kaart te brengen
ik wil geen water uit de rotsen slaan
maar ik wil water naar de rotsen dragen
droge zwarte rots
wordt blauwe waterrots
maar de kranten willen het anders
willen droog en zwart van koppen staan
werpen dammen op en dwingen
rechtsomkeert
Remco Campert (1929)
uit: Vogels vliegen toch (1951)

Deze uitdrukking kent vrijwel iedereen. Het betekent dat er ineens van alles gebeurt. Er is paniek, tumult, opschudding of een ruzie. Volgens de website Onze Taal ontstond de uitdrukking vermoedelijk ‘ergens in de negentiende eeuw’. Een iets nauwkeuriger datering is echter mogelijk: ‘De beer is los’ werd al gebruikt in een liedje tijdens de Belgische Opstand in 1830.

Volgens de taalwebsite Onze Taal sloeg ‘beer’ in de uitdrukking ‘de beer is los’ aanvankelijk op een mannetjesvarken. Een uitgebroken mannetjesvarken kan een flinke ravage aanrichten en het duurt even voor je een losgeslagen mannetjesvarken te pakken hebt. Als men dus uitriep ‘De beer is los!’ was er sprake van paniek, chaos, oproer of problemen.

Onze Taal over ‘De beer is los’

Onze Taal voert als bewijs voor deze interpretatie een Nederlands liedje aan met de volgende beginregels: ‘Van Os, Van Os / den beer is los’ – daarbij verwijzend naar de Nederlandse Liederenbank -, dat omstreeks 1850 verscheen. Dezelfde passage ‘De beer is los’ kwam ook voor in de rijm- en liedbundel Nederlandsche baker- en kinderrijmen (1871), geredigeerd door Johannes van Vloten, in het volgende couplet:

Moeder, moeder! De beer is los;
Hoor dat dier eens brullen!
Snijd hem neus en ooren af,
Dan hebben wij wat te smullen.

Dat de ‘beer’ in dit versje een varken is, blijkt, aldus Onze Taal…

…uit de derde regel, waarin sprake is van neus en oren. Van varkensneuzen en -oren werden namelijk (en worden nog steeds wel) gerechten gemaakt. Het is niet heel gebruikelijk om van varkens te zeggen dat ze ‘brullen’, maar ze kúnnen een geluid maken dat er dicht bij in de buurt komt.

Geheel overtuigend lijkt deze redenering in eerste instantie niet. Varkens knorren of gillen immers, ze brullen niet. Toch is het aannemelijk dat ‘de beer’ op een mannetjesvarken slaat, omdat hem de neus en oren afgesneden moeten worden. Deze varkensdelen waren (en zijn) namelijk een populair voedsel.

Ouder lied met ‘De beer is los!’

Er is, dat meldt Onze Taal overigens niet, nog een ouder lied waarin de zinsnede ‘De beer is los!’ voorkomt: in het lied De vrijwillige jagers van Van Dam uit 1830. De uitdrukking is dus sowieso al wat ouder dan Onze Taal – die met een bewijs uit 1850 komt – suggereert. Het lied gaat over het door Tweede-Kamerlid en majoor E.W. van Dam van Isselt (1796-1860) op eigen initiatief opgerichte Corps Vrijwillige Jagers. Dit korps richtte hij in 1830 op en bestond vooral uit bewoners uit de omgeving van zijn eigen woonplaats Geldermalsen. In totaal had het vrijwilligerskorps zes officieren en 250 manschappen. Tijdens de Slag bij Leuven op 12 augustus 1831 maakten de Jagers van Van Dam deel uit van de voorhoede van het 1ste Nederlandse Legerkorps.

Wellicht slaat het ‘de beer is los’ in het lied De vrijwillige jagers van Van Dam overdrachtelijk op de Belgen als losgebroken mannetjesvarkens. In elk geval wordt uit het lied duidelijk dat de passage ‘De beer is los’ sowieso in de betekenis van tumult/chaos werd gebruikt:

“Op, jagers, op! – In’t veld, in’t veld!
Hurrah!
Te wapen als’t uw vrijheid geldt!
Hurrah!
De muiter heeft zijn vaan geplant!
Te wapen! op voor’t Vaderland!
Hurrah, hurrah hurrah!

De beer is los! – te wapen dan!
Hurrah!
Elk toone wat zijn kloekheid kan!
Hij is de regte Jager niet,
Die slechts in’t veld op hazen schiet;
Hurrah, hurrah, hurrah!

Ik kan uren
stilzitten en
niets doen.
Af en toe de
boodschappen
de was, het eten.
Meer niet.
Kijken naar het sop
zacht blazen
langzaam je
handen bewegen
in het warme water
de kopjes aaien.
Verder niets.
Heleen Hildering (1943)

Moeder wij staan hier voor uw bed
Met een versje en een beschuit
Thee, dat hebben we ook gezet
En daarom zingen wij luid

[refrijn]

't Is moederdag, 't is moederdag De thee die is wat slap
Maar leve moeder d'r moederdag En leve 't moederschap

Straks vind u kruimels in uw bed, dan denkt u vast wel aan ons
Broertje heeft zo'n gat in z'n kop, dat was daar straks die bons
Moe, het beschuitje viel op de grond, zit nu vol stof en vol haar
't Kwam terecht op de boterkant want die is dubbel zo zwaar

[refrijn]

Moeder, u krijgt nu ons cadeau, daarvoor hebben wij lang gespaard
't Heeft wel twintig piek gekost maar 't is haast niks meer waard
Broertje schroefde 't dopje d'r af, dat joch heeft altijd wel wat
Toen liep de dure parfum d'r uit, er zit nou zo'n vlek in de mat

[refrijn]

Moeder, twee helften van een plaat, want hij brak, 't was een plaat van James Last
Trouwens, Dirk-jan had, voor 'ie 'm brak, uw naam d'r al ingekrast
Moeder, wij houden zo veel van u, u huilt nu zelfs van geluk
Wij kinderen zijn een zaligheid al maken we nog zoveel stuk

[refrijn]

Hans Dorrestijn (1940)

Ik heb jou heel de avond nagelopen
Maar jij deed net alsof je mij niet ken
En als je omkeek ben ik weggekropen
Omdat ik weet dat ik zo lelijk ben
Voor je mij zei dat je me graag mocht lij'en
Had ik nog maling aan mijn scheve nek
Ik dacht dat toch geen mens met mij wou vrijen
Want mooie meissies zijn 't meest in trek
Voor jou had ik mijn bloesie aangetrokken
Droeg ik m'n hoedje van de modeplaat
Maar voor een winkelruit ben ik geschrokken
Toen 'k zag hoe lelijk mij die rommel staat
Al rook ik niet zo lekker als een dame
Je hebt me helemaal niet aangeraakt
Je zat je voor mijn lelijkheid te schamen
Je hebt me dronken in een kroeg gemaakt
En toen ik niks kon zien en niks kon horen
Ben jij 'm stiekem met m'n geld gesmeerd
En met de gouwe bellen uit mijn oren
Moest ik betalen wat je had verteerd
Al droeg ik grove keukenmeidenkleren
Al was je vies van zo'n mismaakte meid
Mijn arme centjes wou je wil verteren
Mijn hele spaarbankboekje ben ik kwijt
Ik ben te lelijk om me te verkopen
Ik ben te dom om zo gemeen te doen
Daarom ben ik 't water in gelopen
Adieu, vaarwel, ik eindig met een zoen
Koos Speenhoff (1869-1945)