enquete
 
Bekkema
 
warrenhove
 
damhus
 
bewegingscentrum
 
abd pluskrant banner
 
humanitas
 
museumdr8888
 
smelneserfskip
 
meldij
 
rebbers
 
Uitinmedia

 Lindeboom

 

nieuwsbrief sunenz
 
Regen regen
allerwegen
rechte stralen
water water
langs de muren
langs de palen
vallen vallen
langs de bomen
natte auto's
gaan en komen
loodrecht op de
druppelzegen
Overal is regen regen
 
 
Jan Hanlo (1912-1969)
 
Woorden van geluk zijn moeilijk, ze zijn
klank, wartaal, aaas en jijs en toedan, alles
of niets. Het lekken van vuur; een gordijn
in de wind. Ze zijn eigenlijk maar ballast.
Want we zeggen geluk niet, we doen het.
Dieren hebben alleen maar hun lichamen;
snuiven, stampvoeten, hoeden warmte met
warmte. Het leeft en trilt, het heeft geen namen.
Hoeveel gemakkelijker vindt verdriet
woorden. Dat is de wereld van de mensen:
ze huilen en ze ballen vuisten en ze
vullen bladzijden, maar ze sterven niet.
Sterven hoorde alleen waar leven hoorde:
bij geluk; en dat was teveel voor woorden.
Michel van der Plas (1927-2013)
uit: Langzaam vertrekken (1965)
 De vrouwen keuvelen in de hof,
Misschien bezingen zij de lof
Van een gedicht dat ik eens schreef
Toen een van hen mijn hoop verdreef,
Maar als ik luister is de stof
Van kool en kind, van schoen en slof —
Een enkele slechts zie ik er staren
Met het oog van toen zij meisjes waren.
Rudie van Lier (1914-1987)
 

 De plaat poetsen

Betekenis: er heimelijk vandoor gaan, zich uit de voeten maken.

Verklaring: Deze uitdrukking betekent oorspronkelijk deserteren. Wie zich van de groep verwijderde met het voorwendsel de kolfplaat van zijn musket te gaan poetsen en daarna niet meer opdook was gedeserteerd. Een andere verklaring houdt verband met het feit dat de musket zo zwaar was (ca. 9 kilo) dat deze bij een aftocht vaak niet normaal gedragen kon worden. De musketier sleepte dan het wapen achter zich aan, waarbij de kolfplaat over de grond schuurde en aldus werd “gepoetst”.

Aanloop en afstoot waren welberekend
voordat hij zich verhief tot deze reis,
glanzend-wit staat zijn smalle lijf getekend
tegen een eindeloos-diep zilvergrijs.
Zie! die ons snel en argeloos heeft verlaten,
wiens schaduw danste over ons gezicht,
houdt nu – subliemste aller acrobaten –
de wereld op een mast in evenwicht.
Han G. Hoekstra (1906-1988)
ik geloof in een rivier
die stroomt van zee naar de bergen
ik vraag van poëzie niet meer
dan die rivier in kaart te brengen
ik wil geen water uit de rotsen slaan
maar ik wil water naar de rotsen dragen
droge zwarte rots
wordt blauwe waterrots
maar de kranten willen het anders
willen droog en zwart van koppen staan
werpen dammen op en dwingen
rechtsomkeert
Remco Campert (1929)
uit: Vogels vliegen toch (1951)

Deze uitdrukking kent vrijwel iedereen. Het betekent dat er ineens van alles gebeurt. Er is paniek, tumult, opschudding of een ruzie. Volgens de website Onze Taal ontstond de uitdrukking vermoedelijk ‘ergens in de negentiende eeuw’. Een iets nauwkeuriger datering is echter mogelijk: ‘De beer is los’ werd al gebruikt in een liedje tijdens de Belgische Opstand in 1830.

Volgens de taalwebsite Onze Taal sloeg ‘beer’ in de uitdrukking ‘de beer is los’ aanvankelijk op een mannetjesvarken. Een uitgebroken mannetjesvarken kan een flinke ravage aanrichten en het duurt even voor je een losgeslagen mannetjesvarken te pakken hebt. Als men dus uitriep ‘De beer is los!’ was er sprake van paniek, chaos, oproer of problemen.

Onze Taal over ‘De beer is los’

Onze Taal voert als bewijs voor deze interpretatie een Nederlands liedje aan met de volgende beginregels: ‘Van Os, Van Os / den beer is los’ – daarbij verwijzend naar de Nederlandse Liederenbank -, dat omstreeks 1850 verscheen. Dezelfde passage ‘De beer is los’ kwam ook voor in de rijm- en liedbundel Nederlandsche baker- en kinderrijmen (1871), geredigeerd door Johannes van Vloten, in het volgende couplet:

Moeder, moeder! De beer is los;
Hoor dat dier eens brullen!
Snijd hem neus en ooren af,
Dan hebben wij wat te smullen.

Dat de ‘beer’ in dit versje een varken is, blijkt, aldus Onze Taal…

…uit de derde regel, waarin sprake is van neus en oren. Van varkensneuzen en -oren werden namelijk (en worden nog steeds wel) gerechten gemaakt. Het is niet heel gebruikelijk om van varkens te zeggen dat ze ‘brullen’, maar ze kúnnen een geluid maken dat er dicht bij in de buurt komt.

Geheel overtuigend lijkt deze redenering in eerste instantie niet. Varkens knorren of gillen immers, ze brullen niet. Toch is het aannemelijk dat ‘de beer’ op een mannetjesvarken slaat, omdat hem de neus en oren afgesneden moeten worden. Deze varkensdelen waren (en zijn) namelijk een populair voedsel.

Ouder lied met ‘De beer is los!’

Er is, dat meldt Onze Taal overigens niet, nog een ouder lied waarin de zinsnede ‘De beer is los!’ voorkomt: in het lied De vrijwillige jagers van Van Dam uit 1830. De uitdrukking is dus sowieso al wat ouder dan Onze Taal – die met een bewijs uit 1850 komt – suggereert. Het lied gaat over het door Tweede-Kamerlid en majoor E.W. van Dam van Isselt (1796-1860) op eigen initiatief opgerichte Corps Vrijwillige Jagers. Dit korps richtte hij in 1830 op en bestond vooral uit bewoners uit de omgeving van zijn eigen woonplaats Geldermalsen. In totaal had het vrijwilligerskorps zes officieren en 250 manschappen. Tijdens de Slag bij Leuven op 12 augustus 1831 maakten de Jagers van Van Dam deel uit van de voorhoede van het 1ste Nederlandse Legerkorps.

Wellicht slaat het ‘de beer is los’ in het lied De vrijwillige jagers van Van Dam overdrachtelijk op de Belgen als losgebroken mannetjesvarkens. In elk geval wordt uit het lied duidelijk dat de passage ‘De beer is los’ sowieso in de betekenis van tumult/chaos werd gebruikt:

“Op, jagers, op! – In’t veld, in’t veld!
Hurrah!
Te wapen als’t uw vrijheid geldt!
Hurrah!
De muiter heeft zijn vaan geplant!
Te wapen! op voor’t Vaderland!
Hurrah, hurrah hurrah!

De beer is los! – te wapen dan!
Hurrah!
Elk toone wat zijn kloekheid kan!
Hij is de regte Jager niet,
Die slechts in’t veld op hazen schiet;
Hurrah, hurrah, hurrah!