enquete
 
Bekkema
 
warrenhove
 
damhus
 
bewegingscentrum
 
abd pluskrant banner
 
humanitas
 
museumdr8888
 
smelneserfskip
 
meldij
 
rebbers
 
Uitinmedia

 Lindeboom

 

nieuwsbrief sunenz
ik keek naar het verkiezingsdebat
de lijsttrekker hakkelde even
zijn tegenstanders beten onmiddellijk toe
ik zag de gekwelde blik in zijn ogen
schaamte voor zijn vrienden misschien
een herinnering aan een kapotte lip
het raam stond open, de gordijnen
bolden op een koude wind
vlaagde ik huiverde gisteren nog
vulkaanuitbarsting in ijsland
een wolk van as naderde het land
ineens was ik eruit ik zou stemmen
op de pijn in de ogen van de politicus
op zijn angst voor de aswolk zijn diepe
hunkering naar liefde
Jabik Veenbaas (1959)
uit: Stad van liefde (2017)

Zie hem toch dansen, vrolijk hinkelen

Hij imiteert zijn eigen jongensjeugd

We zien hem huppelend van zielenvreugd

Terwijl zijn oogjes olijk twinkelen

Bejaarden kunnen prima met hem winkelen

Maar af en toe heeft hij niet zo gedeugd

Jaar in jaar uit heeft dat Henk Krol geheugd

Het geld liet hij te zachtjes rinkelen

De Roze Maandag, Gaykrant, homorechten

Nu weer de ouderen, wat staat ie pal !

en ook de Blote Billen hebben rechten*

Dat wist hij 50 jaar geleden al !

Theater maken zit hem in het bloed:

De onschuld en de boosheid speelt hij goed

Aar Noordam Rijmer des Vaderlands

Uit: Politieke sonnetten

8 maart 2017

Als Holland winters is getooid,
En wij van kou welhaast verrekken,
Blijkt Friesland dichtbevolkt met gekken,
Die ’s winters gekker zijn dan ooit.


De maffe koppen, strak gelooid,
Ontspannen plots in losser trekken
Terwijl zich rond de stuurse bekken
Een soortement van glimlach ontplooit.


In onverstaanbare gesprekken
Worden dan praatjes rondgestrooid,
Die ijdele verwachting wekken,


Totdat de goden, als het dooit,
De hoop der dwaze halzen nekken.
Nee, de elfstedentocht komt nooit!


Driek van Wissen
uit: De badman heeft gelijk
Bert Bakker 1982

Een broodje aap. Iedereen weet wat dat is: een vreemd verhaal dat als waar gebeurd wordt gepresenteerd maar eigenlijk klinkklare onzin is. Waar de term vandaan komt is minder bekend.

De Nederlands-Amerikaanse schrijfster Ethel Portnoy (1927-2004) publiceerde in 1978 een verhalenbundel onder de titel Broodje Aap. De folklore van de post-industriële samenleving. Het titelverhaal vertelt over een onthoofd en gevild lijk dat vlakbij een hotdogkraam wordt gevonden. Het lijk wordt al snel nader onderzocht en een patholoog-anatoom komt tot een bijzondere conclusie. Het gaat niet om het lichaam van een mens maar om dat van een gorilla.
Na deze ontdekking wordt al duidelijk wat het lijk daar deed. De eigenaar van de nabijgelegen hotdogkraam blijkt bij de plaatselijke dierentuin de kadavers van dode apen op te kopen en ze vervolgens te verwerken in zijn broodjes. Bij deze hotdogkraam werd dus het ‘broodje aap’ geboren. En verkocht aan nietsvermoedende hongerige burgers.
Sinds de verschijning van de bundel van Ethel Portnoy staat het broodje aap synoniem voor wat men in het Engels ook wel urban legends noemt, bizarre verhalen die als waarheid gepresenteerd worden maar waarvan iedereen eigenlijk wel weet dat het om verzinsels gaat.

 
 
        Eens, in drieënvijftig, een februaridag
        op de kust van Gibraltar, na maanden van ver reizen,
        nuchter en dronken door rampen en paradijzen,
        was het dat ik op zee drie waterhozen zag,
        klassieke zuilen, leven en dood, en ik dacht:
        ik wil niet meer naar mijn laagland van onderwijzers,
        palen en perkjes, theedrinkers en overpeinzers.
        Toen stevende de stuurman krijtwit op mij af:
        de marconist heeft Holland aan de lijn, de dijken
        in Nederland zijn op honderd plaatsen gebroken
        door een storm waarvan je nooit eerder hebt gehoord.
        ’s Nachts al voeren we naar Rotterdam en een rijke
        onstuimige golfslag bracht ons de boodschap over:
        er is een ramp daar, daar zijn we thuis, meer dan ooit.
        Max Dendermonde (1919-2004)
        uit: Soms een paar uur van tweezaamheid (1987)

Als een kleine jongen echt heel lief is en goed naar vader en moeder luistert dan wordt wel eens gezegd dat hij een “brave Hendrik” is. Deze uitdrukking is ontleend aan een boekje van de Nederlandse schrijver Nicolaas Anslijn (1777-1838).

Deze auteur publiceerde in 1810 De Brave Hendrik, een leesboekje voor jonge kinderen. Het boekje werd zo’n groot succes dat een jaar later een nieuw boekje verscheen, dit keer over een goed luisterend meisje: Brave Maria.

De boekjes werden gepubliceerd in een tijd dat leesboekjes zelf ook nog behoorlijk braaf waren. De kindertjes moesten vooral een voorbeeld nemen aan de brave Hendrik en Maria. In de twintigste eeuw verschenen er steeds meer boekjes over kwajongens en kwameisjes. Een bekend voorbeeld is de Pietje Bell-reeks van Chris van Abcoude.

Stukje uit Brave Hendrik:
Kent gij Hendrik niet, die altijd zoo beleefd zijnen hoed afneemt als hij voorbij gaat?
Vele menschen noemen hem de brave Hendrik, omdat hij zoo gehoorzaam is, en omdat hij zich zoo vriendelijk jegens ieder gedraagt.
Hij doet nooit iemand kwaad.
Er zijn wel kinderen, die hem niet liefhebben.
Ja, maar dat zijn ook ondeugende kinderen.
Alle brave kinderen zijn gaarne bij Hendrik.
Kinderen, die met Hendrik omgaan, worden nog braver, want zij leeren van hem, hoe zij handelen moeten.

De treinen rijden vaker niet dan wel
En als ze rijden gaat dat tergend traag
En waar je uitkomt is nog maar de vraag
De weg erheen is meestentijds een hel

De slappekoffielul: een zieke blaag
De conducteur: een manwijf met een fluit
De machinist: stokdoof, zijn lenzen uit
De medepassagiers: alleen geklaag

Ik staar dus maar door een beslagen ruit
Zie duffe polders en vergane steden
En denk: wie hier het ergste heeft geleden
Had meer geluk dan ik in deze kluit

Dat reizen met de trein is best een klus
Gelukkig mag ik straks weer met de bus

 

Peter Knippenberg