enquete
 
Bekkema
 
warrenhove
 
damhus
 
bewegingscentrum
 
abd pluskrant banner
 
humanitas
 
museumdr8888
 
smelneserfskip
 
meldij
 
rebbers
 
Uitinmedia

 Lindeboom

 

nieuwsbrief sunenz
 

 

Hans Roelfs januari 2016De eerste drie en twintig jaar van mijn leven heb ik, met onderbreking van 21 maanden militaire dienst, gewoond in Velp, een dorp aan de Veluwezoom dicht bij Arnhem.

Elke denominatie had er wel een of meer lagere scholen. De katholieke scholen waren of jongens- en een meisjesschool. De parochiekerk was een grote, hoge, neogotische kerk uit het eind van de 19e eeuw. De laatste jaren van de oorlog was het er iedere zondag bomvol; het was de enige plek waar mensen in grote aantallen bijna straffeloos bij elkaar konden komen. Inmiddels heeft de kerk het geschopt tot rijksmonument.

 

In de winkelstraten was een mengelmoes aan bedrijvigheid gaande. Op weg naar school,   ongeveer tien minuten lopen,   maar ik deed er veel langer over, passeerde ik o.a. een banketbakker, twee slagers, een juwelier, een groenteboer, broederlijk bijeen. Naast de kapper zat de IJmuidense visboer Smit en Muis. De schoenenzaak die in de oorlog soms kaplaarzen zonder bon verkocht, zat er een paar jaar geleden nog steeds, onder dezelfde naam. Supermarkten en zelfbediening bestonden nog niet, maar er waren wel De Gruyter en Albert Heijn de eerste ‘grootgrutters’  van Nederland.

 

De laatste jaren denk ik veel terug aan het dorp uit mijn jeugd. In de Noorder-, Zuiderbuurt en het Raadhuisplein zie ik overwegend franchisezaken. Zaken met allerlei moderne namen die mij niets zeggen. In mijn jeugd waren er nog niet de afhaalrestaurants en eethuisjes, ook niet de talloze kappers, schoonheids- en nagelinstituten waar het hier van krioelt.

 

Ik merk dat het gevoel van herkenning van eigenlijk onvergelijkbare plekken uit heel verschillende tijdperken meer mensen overkomt. Pratend met soms oppervlakkige kennissen komen de verhalen los. Dan schetst die ander een beeld van een wereldstad of een natuurwonder, het blijkt Kollum te zijn! Zijn we ons verleden aan het idealiseren? Want als het goed is zal het in je herinnering mooier zijn dan het in werkelijkheid was. Vroeger zou ik dat fout hebben gevonden, nu snap ik het en ik geniet ervan. Zou dat liggen aan het ouder, milder worden? Het geeft mij in ieder geval wel weer het gevoel dat ik niet de befaamde ongelukkige jeugd heb gehad en dat wist ik ook al.

 

Praat u wel eens over de plekken uit uw jeugd, zomaar, met bekenden of betrekkelijk onbekenden? Vooral doen. Misschien verbaast u zich over uzelf, als u eenmaal in gesprek bent, dat u zo over vroeger denkt. Dat overkwam mij meer dan eens. En dan uw gesprekspartner vragen naar diens herinneringen. Gegarandeerd een verrassend gesprek. En je voelt je weer jong, bij wijze van spreken.

Wat vindt u? 

Hans Roelfs januari 2016Van de symfonie des levens, krijgt niemand het program. Een tegeltjeswijsheid voor mensen die te lui zijn om zelf na te denken. Voor het eerste de beste levensdilemma geplaatst, weten ze zich geen raad. Dan lijkt het me troostrijk te weten dat we niet direct een antwoord hebben op  ‘vragen des levens’. Je koopt zo’n  tegeltje, spijkert het op een zichtbare plaats en klaar is Kees. Bij iets onoplosbaars, is een blik op de tegeltekst voldoende om het leven te hervatten. Gedeelde smart, is halve smart.

Een andere categorie mensen heeft in plaats van het tegeltje een kruisbeeld aan de muur of slaat er de koran op na. Inspiratie van een hogere orde en iets meer tekst dan op het tegeltje. Maar ook deze mensen denken zo het antwoord op lastige levensvragen te vinden. Het heeft naar mijn idee te maken met genietangst. In heel ons wezen zit het vermogen, te genieten van de ‘goede dingen des levens.’ De bedenkers van tegeltjes en de schrijvers van heilige boeken waarschuwen voor  ons verlangen te genieten. En niet zonder reden. Hoe gemakkelijk verliezen we ons in de voorkeur voor chocolade, veel werken, snelle auto's en harde muziek, om maar wat te noemen. Tegelijkertijd bemerken we, dat die waarschuwingen een verzet vormen tegen menselijke verlangens. Er zijn geloofsovertuigingen die strikte wetten hanteren voor eten, kleding, gedrag en liefdadigheid. Er gaat een ordening van uit, dat moet gezegd. Die angst voor genieten, maakt dat mensen ook  tot 'productieve' zaken neigen. We hebben er onze beschaving aan te danken. Toch blijft het een moeilijke strijd als beschavingsregels ingaan tegen een biologisch menselijk gegeven. Neem bijvoorbeeld de regeringspartij Christen Unie die voorstelde  begrenzers op mp3-spelers voor te schrijven en paal en perk te stellen aan  decibellen in de disco's. Jongeren lopen gehoorbeschadiging op omdat ze naar te harde muziek luisteren. Uit onderzoek blijkt dat onze hersenen een ‘lekker’ stofje aanmaken als de muziek te hard staat. Hetzelfde stofje waardoor hardlopers hun enkelbanden aan gort lopen en managers doorgaan tot hun eerste hartinfarct. Heeft dus geen zin om daar middels wetgeving wat aan te doen. Tegen beter weten in, zullen mensen altijd blijven kiezen voor wat 'lekker' is. Het tekent onze bijbelvaste politici dat ze zich wensen te bemoeien met ieder detail van menselijk genieten. Nergens meer zuipketen dan op de Veluwe, stel ik dan maar vast. Waar de kunst van genieten tot regeringsbeleid wordt gemaakt, komen nieuwe wetten die zich bemoeien met mijn zaken. Wat de Christen Unie voorstelde, lijkt mij op  onnutte Burkaverplichting voor mp3-spelers

Hans Roelofs

(193, 'Citaat:', 'citaat', '', '<p>Het is haast niet te geloven, maar er bestaan

Hans Roelofs juni 2016 2 Naamloos1Wat zijn wij aan het doen?" "Oh, wij reden auto, jullie ook?"

"Wij zijn zeker de leukste thuis?" - “Nee, dat is de deurknop want die geeft iedereen een handje".

Na deze melige begroeting vroeg oom agent mijn rijbewijs en autopapieren, die goed werden bevonden. Ik dacht dat hiermee het gesprek wel was afgelopen, maar… blafte de man mij toe: "Ik constateer dat u uw gordel niet om heeft".
"Dat klopt niet, commissaris,” blafte ik terug. “Ik wilde iets uit het dashboard pakken en daarom drukte ik de gordel naar beneden.”
"Ik constateer dat u uw gordel niet om had,” weer diezelfde blaffende toon. Aangezien ik wel voelde dat argumenteren weinig zin had, volstond ik met een schouderophalen. "Daar krijgt u een bekeuring voor."


"Is een waarschuwing niet genoeg, of bent u nog niet aan uw maandelijkse bekeuringenproductie toe?", vroeg ik venijnig.
"Nee, nee, meneertje, waarschuwingen daar beginnen we niet meer aan." Hij schreef een proces-verbaal en vertelde ondertussen dat een groot gedeelte van de ongelukken ontstond door het niet dragen van autogordels. Ik keek hem verbaasd aan en wilde hem vragen of hij bedoelde dat het aantal doden en ernstig gewonden groter zou worden door het niet dragen van gordels. Maar ik zag aan de uitdrukking in zijn ogen dat dit vergeefse moeite zou zijn. Na het afhandelen van de formaliteiten, mocht ik mijn weg vervolgen.

Met een pesthumeur, want ik was weer een beetje armer én in tien minuten gedegradeerd van ''wij'', naar ''meneertje''. Waarom moet ik nou zo’n proleet ontmoeten? Er zijn toch wel aardige agenten? Ik zie mezelf als een tamelijk brave burger, die zich binnen de grenzen van de wet beweegt. Loop ik 's avonds over straat, zie ik weinig blauw dat mij kan beschermen. Sterker nog, de kans blauw tegen te komen in de vorm van een smurf, is volgens mij groter. Op zich geen probleem, ik voel me veilig op straat. Mijn probleem is dat een politiemacht, die volgens eigen zeggen al jaren kampt met personeelstekort, wel tijd én mankracht heeft voor urenlange controles op het dragen van autogordels.

Waar ben je gebleven, Oom Agent? Je was toch mijn vriend en helper? Als jij er was, kon mij toch niks gebeuren? Ik zie je bijna nooit meer en als ik je al een keer zie, grijp ik automatisch naar mijn beurs.

Hans Roelofs (25 juni 2010)