enquete
 
Bekkema
 
warrenhove
 
damhus
 
bewegingscentrum
 
abd pluskrant banner
 
humanitas
 
museumdr8888
 
smelneserfskip
 
meldij
 
rebbers
 
Uitinmedia

 Lindeboom

 

nieuwsbrief sunenz

Hans Roelfs januari 2016Mijn broers en zusters en ik natuurlijk zijn, door vader en moeder in onze geloofsbeleving tolerant opgevoed. Kennelijk een familietrekje, want zowel aan vader als van moeders zijde lopen diverse scheidslijnen. In onze familie kennen we katholieken, gereformeerden en atheïsten. In de persoonlijke verhoudingen is het nooit een probleem geweest. Ik herinner me in het bijzonder de verjaardagsfeestjes waar veelvuldig pastoors en dominees onderwerp van gesprek waren.

Zo vertelde oom Geert van hun dominee, dat de man graag tuinierde en groene vingers had. Alles in zijn moestuin groeide uitbundig. De gemeenteleden maakten wel eens een opmerking: “Geen wonder dat de sla, de bonen en de kool het zo goed doen. U zegent het spul en boven wordt alles verder geregeld”. De dominee moest er wel om lachen maar in een bepaald jaar kreeg hij toch de smoor in, want was het geval? De kool deed het uitstekend maar als hij ’s morgens even door de tuin liep bemerkte hij dat er weer een paar waren verdwenen. Een paar keer had hij al in de preek laten doorschemeren dat gemeenteleden niet mochten stelen, zonder de rode kool te benoemen. Maar het ging gewoon door en tenslotte was bij hem de maat vol.

Die zondag, de kerk was stampvol, overzag de dominee vanaf de kansel het kerkvolk en dacht er het zijne van. Gespannen zagen de kerkgangers dat de dominee een rode kool mee naar boven had genomen. Een predikant met een rode kool, dat was toch wel bijzonder, maar het was een publiek geheim dat dominee niet te spreken was over de groentediefstallen uit zijn tuin. De dominee preekte streng, met als centraal thema het gebod ‘Gij zult niet stelen’.

Op een bepaald moment pakte hij de rode kool met de woorden: “Deze rode kool heb ik gauw uit de tuin gepakt voordat ie ook weer zou zijn verdwenen. Ik ben het beu. De dader zal zich niet melden, maar met hulp van boven gooi ik de kool in de kerk en zo zal de dief deze op zijn hoofd krijgen.” Geschrokken zagen de kerkgangers dat de arm van de dominee omhoog ging om de kool te gooien. Op hetzelfde moment riep een vrouwenstem: “Hannes bukken”. Volgens oom Geert is de kool nooit gegooid want de dader was nu bekend. Moraal van het verhaal, steel niet uit de tuin van de dominee want die komt er toch wel achter.

Hans Roelofs

Hans Roelfs januari 2016Zoals te doen gebruikelijk kregen we op lagere school ieder week een uur godsdienstonderricht, het heette ‘catechismusles’ en maakte onderdeel uit van het Rooms-Katholieke onderwijs. Hiervoor werd een uur vrij gemaakt op het lesrooster. In mijn herinneringen waren het vervelende lessen. Soms werd een verhaal uit de bijbel voorgelezen. Dat viel dan nog wel mee, maar een les bestond meestal uit het beantwoorden van vragen uit het catechismusboekje. Vragen die je een week tevoren had opgekregen. Het uit het hoofd leren van de vragen stelde ik zo lang mogelijk uit, meestal tot de avond er voor. Maar oh wee, wanneer bleek je les niet goed te hebben geleerd. Dan werd het nablijven, strafregels schrijven en bovendien een portie strafwerk om je thuis te vermaken.

Sommige geestelijken konden bovendien hardhandig optreden. Pater C. (de man is in een concentratiekamp omgebracht) had losse handjes. Bij het minste of geringste kreeg je een draai om de oren of sloeg en gooide hij met alles wat voorhanden was. Jan Willems, hij zat achter mij, weet daarvan mee te praten. Op een keer vroeg de pater aan mijn vriendje, we zaten in één bank: “Joop, hoeveel sacramenten zijn er, dat zul jij wel weten want het staat in de catechismus”. Joop, een pientere leerling en bekend om zijn snedige opmerkingen, had niets voorbereid en antwoordde opgewekt: “Pater, d’r zijn geen sacramenten meer”. De pater liep rood aan en zei driftig: “Hoe kom je daar bij, uilskuiken”. Joop bleef opvallend rustig en zei: “Nou dat heeft u zondag zelf op de preekstoel afgeroepen, de laatste sacramenten zijn toegediend aan mevrouw Gerritsen.”

Pater C. kon er de humor niet van inzien en begon uitgebreid te vertellen dat ‘de laatste sacramenten’, betekende ziekenzalving, en dat deze wordt toegediend bij mensen in de laatste levensfase. Door de geagiteerde houding van de pater bleef het onrustig in de klas. Op een bepaald moment fluisterde ik Joop wat in het oor. Ik zag uit mijn ooghoeken dat de pater een bordenwisser pakte en in mijn richting gooide. Instinctief bukte ik me waardoor de achter mij zittende Jan Willems vol op het oog werd getroffen. Grote consternatie, in een oogwenk zat het oog dicht en huilend rende Jan de klas uit naar huis.

’s Middags bleef de bank van Jan Willems opvallend leeg. Toen we na vieren langs de pastorie liepen zagen we hoe vader Willems, toch niet een van de makkelijkste mensen, handenschuddend afscheid nam van mijnheer pastoor, een bijzonder beminnelijke man. De pater heeft nooit meer les gegeven.

Hans Roelofs

 

 

Hans Roelfs januari 2016De eerste drie en twintig jaar van mijn leven heb ik, met onderbreking van 21 maanden militaire dienst, gewoond in Velp, een dorp aan de Veluwezoom dicht bij Arnhem.

Elke denominatie had er wel een of meer lagere scholen. De katholieke scholen waren of jongens- en een meisjesschool. De parochiekerk was een grote, hoge, neogotische kerk uit het eind van de 19e eeuw. De laatste jaren van de oorlog was het er iedere zondag bomvol; het was de enige plek waar mensen in grote aantallen bijna straffeloos bij elkaar konden komen. Inmiddels heeft de kerk het geschopt tot rijksmonument.

 

In de winkelstraten was een mengelmoes aan bedrijvigheid gaande. Op weg naar school,   ongeveer tien minuten lopen,   maar ik deed er veel langer over, passeerde ik o.a. een banketbakker, twee slagers, een juwelier, een groenteboer, broederlijk bijeen. Naast de kapper zat de IJmuidense visboer Smit en Muis. De schoenenzaak die in de oorlog soms kaplaarzen zonder bon verkocht, zat er een paar jaar geleden nog steeds, onder dezelfde naam. Supermarkten en zelfbediening bestonden nog niet, maar er waren wel De Gruyter en Albert Heijn de eerste ‘grootgrutters’  van Nederland.

 

De laatste jaren denk ik veel terug aan het dorp uit mijn jeugd. In de Noorder-, Zuiderbuurt en het Raadhuisplein zie ik overwegend franchisezaken. Zaken met allerlei moderne namen die mij niets zeggen. In mijn jeugd waren er nog niet de afhaalrestaurants en eethuisjes, ook niet de talloze kappers, schoonheids- en nagelinstituten waar het hier van krioelt.

 

Ik merk dat het gevoel van herkenning van eigenlijk onvergelijkbare plekken uit heel verschillende tijdperken meer mensen overkomt. Pratend met soms oppervlakkige kennissen komen de verhalen los. Dan schetst die ander een beeld van een wereldstad of een natuurwonder, het blijkt Kollum te zijn! Zijn we ons verleden aan het idealiseren? Want als het goed is zal het in je herinnering mooier zijn dan het in werkelijkheid was. Vroeger zou ik dat fout hebben gevonden, nu snap ik het en ik geniet ervan. Zou dat liggen aan het ouder, milder worden? Het geeft mij in ieder geval wel weer het gevoel dat ik niet de befaamde ongelukkige jeugd heb gehad en dat wist ik ook al.

 

Praat u wel eens over de plekken uit uw jeugd, zomaar, met bekenden of betrekkelijk onbekenden? Vooral doen. Misschien verbaast u zich over uzelf, als u eenmaal in gesprek bent, dat u zo over vroeger denkt. Dat overkwam mij meer dan eens. En dan uw gesprekspartner vragen naar diens herinneringen. Gegarandeerd een verrassend gesprek. En je voelt je weer jong, bij wijze van spreken.

Wat vindt u?