enquete
 
Bekkema
 
warrenhove
 
damhus
 
bewegingscentrum
 
abd pluskrant banner
 
humanitas
 
museumdr8888
 
smelneserfskip
 
meldij
 
rebbers
 
Uitinmedia

 Lindeboom

 

nieuwsbrief sunenz

Hans Roelfs januari 2016Het was zondagavond laat en ik had nog geen stukje voor de krant geschreven. Zo gaat het niet, sprak ik mezelf toe. Morgenvroeg is meestal op tijd, of - als de opperpennenlikker het maar weet - eventueel laat in de maandagmiddag. Maar als er dan niks ligt, wordt er toch even wat nerveus getelefoneerd. Of het klopt dat er nog geen kolom is.

Tja, eindredacteuren denken in kolommen en die moeten wel allemaal netjes gevuld zijn. Neem ik ze niet kwalijk. Ieder z'n vak. Ik vraag me af wie me zou missen. Het hele land is immers op vakantie! Zou het iemand opvallen als ik dit keer een schrijfseltje van - zeg - zeven jaar geleden inlever? Ik weet dat ik me mag verheugen op een kleine maar trouwe schare lezeressen en lezers. Kan ik van hen verwachten dat ze me betrappen op een dergelijke frauduleuze act? Onderschat nooit de lezer, onderwees mijn leraar me ooit en ik meen me altoos aan zijn wijze les gehouden te hebben. Reden waarom ik ook op dit onwelkome uur mijn best zit te doen. Op een uiterst ingewikkelde manier heeft mijn tijdnood te maken met vakantie. Diezelfde waardoor er waarschijnlijk toch niemand tijd heeft om te lezen wat ik deze week opschrijf: de grote vakantie. Door een samenloop van omstandigheden was de meimaand van 2010 een rampzalige opeenhoping van vrije dagen.

Komt een werkzaam mens tijdens een normale meimaand amper aan werken toe, dit jaar was alles wat humanistisch-christelijk Nederland tot een land maakt om trots op te zijn, samengeklonterd tot een megareeks feestdagen. Met het simpel tussenvoegen van enige atv- of snipperdagen kon ik er zomaar een paar dagen tussenuit. Samen met de rest van arbeidzaam Holland moest ook ik toegeven aan de meivakantie. Was ik die weken ervoor nog gewoon thuis om twee kort op elkaar liggende weekenden door te maken, tenslotte moest ik er ook aan geloven: een paar dagen er tussenuit. Dat vergrootte de kans dat de weinige achterblijvers, ook in de tweede week van de grote voorjaarsverlofperiode, de lezer van de verkeersinformatie horen melden dat ''er geen files zijn''. Dertig jaar fileleed werd in één keer opgelost door Nederland met meivakantie te sturen.

Ik vraag me af of Camiel Eurlings hier achter zit. Hij zal het dan wel flink aan de stok krijgen met zijn collega Maria van der Hoeven van Economische Zaken. Zij was het toch die onlangs opperde dat we met z'n allen maar weer eens veertig uur in de week moeten gaan werken? Nederland krijgt zijn taakjes niet af, als we er niet collectief een paar uur per week langer de schouders onder zetten. Dat vraagt hard ingrijpen in de meipret, kan ik u wel vertellen.
Tegelijkertijd weten u en ik dat we ons deze vrije dagen nooit zullen laten afnemen. Eerder komt er een oproep voor Tweede Hemelvaartsdag (die we eigenlijk al hebben), Derde Pinksterdag en nog een Bevrijdingsdag (of eindelijk een echte, zoals de gelegenheid verdient!).
We kunnen beter met Europa en de rest van de wereld afspreken dat Nederland in de meimaand op slot zit. We zijn er effe niet! U mag een boodschap inspreken, maar reken er nu niet op dat we daar op korte termijn op zullen reageren. Net zo min als ik verwacht dat mijn lezers zullen protesteren tegen een stukje als dit.

Hans Roelofs

In het centrum van Drachten zijn, ik weet bij nadering niet hoeveel, allerlei zaken gevestigd. Zij hebben welbewust hun winkel gevestigd in de omgeving van andere winkels en niet op de prairie. Veel winkels bij elkaar kunnen namelijk een grote aantrekkingskracht hebben op de consument. Winkelen in een dorp, (of is Drachten een stad?), is efficiënt en gezellig.

In 1920 hebben zakenmensen besloten samen te werken en richtten de Vereniging van Handelaren en Industriëlen op, die zich ook bezig hield met winkeliersbelangen. Hoofddoel: samenwerking om het de consument naar de zin te maken. Sterker: zij moeten de consument verleiden om inkopen te doen in Drachten en niet in omliggende plaatsen.

Hans Roelfs januari 2016Persoonlijk zie ik Drachten als één groot openlucht warenhuis. Van een vereniging als H & I verwacht ik dat die het publiek binnenlokt en zorgt dat het de consument aan niets ontbreekt op het gebied van parkeren, comfort en gezelligheid. Pas als de consumenten eenmaal in Drachten zijn beland, kunnen ze klant worden van individuele winkels. Winkeliers kunnen dus niet zonder een handelsvereniging. Zo simpel is dat volgens mij. De vereniging H & I in Drachten zet zich in voor promotie-activiteiten, bijvoorbeeld feestverlichting in het winkelhart Drachten, geen overbodige luxe nu het centrum gedeeltelijk overhoop ligt. Daarvoor is natuurlijk geld nodig. Welnu, daar begint de ellende.

Een aantal winkels, meestal filialen van ketenbedrijven, heeft redenen zich niet aan te sluiten bij de club. Dat is ieders goed recht, maar leidt tot irritatie bij leden die wél hun financiële steentje bijdragen aan ons dorp. En die irritatie kan weer leiden tot opzeggingen van leden met de woorden: waarom zou ik wel betalen en zij niet? Die discussie is van alle tijden en van alle dorpen. In Drachten hoor ik ook van middenstanders zulke verhalen, zodat straks té weinig bedrijven moeten opdraaien voor de hoge kosten. Het is altijd weer hetzelfde liedje, hier komt nooit een einde aan, vrees ik. Zeker doordat veel grootwinkelbedrijven een lange neus maken en domweg niet meebetalen. Ik pleit daarom voor een promotiefonds Winkelen in Drachten. De gemeente, als belanghebbende bij een gezonde lokale economie, gaat dat fonds vullen met geld. Dat geld incasseert men bij alle winkelbedrijven binnen het centrumgebied in de vorm van een verplichte promotieheffing volgens een bepaalde verdeelsleutel. Het fonds wordt beheerd door het bestuur van de vereniging H & I. De hoofdelijke bijdrage kan dan behoorlijk omlaag, omdat iedereen meebetaalt. De irritatie verdwijnt, de solidariteit verschijnt en….de feestverlichting zal in het warenhuis Drachten stralen!

Hans Roelofs

Hans Roelfs januari 2016Wij hebben een voornaam en een achternaam en dat vinden we de normaalste zaak van de wereld. Toch is dat niet altijd zo geweest. Nou ja, wel voor jou en mij, maar niet voor de overgrootouders van onze grootouders. Je kent misschien wel het verhaal dat het allemaal de schuld is van Napoleon. We hadden hierin Nederland, zo gaat deze versie, allemaal geen achternaam tot die eigengemaakte keizer hier huishield en ons verplichtte om er een te kiezen. Helemaal bezijden de waarheid is dit niet, maar het ligt wel iets genuanceerder.

Aan het begin van de negentiende eeuw – want daar hebben we het over – hadden de meeste inwoners van wat we nu Nederland noemen wel degelijk een achternaam. Dat was soms een familienaam, maar soms ook een patroniem. Daarbij wordt de achternaam gevormd uit de naam van je vader. Als je vader Roelof heet en jij Johan, dan ben jij dus Johan Roelofsz (kort voor Roelofszoon). Mensen werden ook benoemd op basis van hun beroep of bijnaam. Je was dan Teun de Boer of Henk Timmerman. Maar een naam ook men ontlenen aan de plek waar je vandaan kwam, zeker als je was gemigreerd naar een andere woonplaats. Denk dan aan namen als Van Apeldoorn.

Wat er veranderde in de napoleontische tijd is de invoering van de Burgerlijke Stand. Om precies te zijn, voor Nederland: in 1811. Toen werden al die benamingen voor het eerst opgetekend in een officieel register. En sindsdien zijn ze dus ook maar bitter weinig veranderd. Als Teun de Boer een zoon kreeg die schilder werd, dan heette die toch nog De Boer. En andersom. Dit levert allerlei leuke kronkels op. Na een beetje snuffelen op internet vond ik een huisarts die Portier heet, een tandarts die Advocaat heet en een advocaat met de naam Brouwer. En er is natuurlijk ook nog een wat bekendere Advocaat, maar die is voetbalcoach.

Er zijn natuurlijk allerlei andere opmerkelijke combinaties van achternaam en beroep. Denk aan de man die jarenlang geregeld op tv kwam als voorzitter van de Vereniging Nederlandse Verkeersvliegers, Benno Baksteen. Zie dan maar eens een glimlach te onderdrukken. Of aan Emiel Aardewerk, die bij ‘Tussen Kunst & Kitsch’ zijn deskundige licht laat schijnen op, juist ja, zilverwerk. En ten slotte is er een bekende Britse gynaecoloog met de naam John Studd (dekhengst/sexueel actieve man). Gniffel, gniffel. Zoiets verzin je niet.

Hans Roelofs