enquete
 
Bekkema
 
warrenhove
 
damhus
 
bewegingscentrum
 
abd pluskrant banner
 
humanitas
 
museumdr8888
 
smelneserfskip
 
meldij
 
rebbers
 
Uitinmedia

 Lindeboom

 

nieuwsbrief sunenz

Hans Roelfs januari 2016Gisteren precies vijf en zestig jaar geleden, 14 april 1945, werd Drachten bevrijd van de Duitse onderdrukker. Op diezelfde dag, wij leden nog twee dagen langer onder het oorlogsgeweld , probeerde ik als tienjarig jochie het vege lijf te redden onder het aanhoudende granaatvuur van de Canadese artillerie. Op dat moment was ik onwetend van het noodlot dat mijn drie vriendjes, Henri, Joop en Herman overkwam. Terwijl ik een veilig heenkomen zocht en naar huis rende, weggestuurd door de vader van het onafscheidelijke trio, kwamen zij om het leven, getroffen door een voltreffer. Was ik niet weggestuurd…..?

Vijf en zestig jaar later kijk ik terug op die eindfase van de bezetting, de bevrijding, de chaotische overgangsperiode. Het laatste oorlogsjaar was het jaar van suikerbietenpulp en Amerikaanse chewing gum. Het was het jaar van wraak, afrekening, wanhoop, verdriet, maar ook van energie en plannen. Na de bevrijding begonnen we aan een nieuw leven op de puinhopen van het oude. Vol idealisme, nuchter, maar ook verbijsterd. De nood steeg in die laatste maanden hoog. Januari 1945, midden in de Hongerwinter, ‘t was een van de koudste maanden in de oorlog. Bijna dagelijks klopten mensen aan, bedelend om voedsel. Dikwijls bleven zij bij ons slapen. Moeder had op zolder de strozakken klaar liggen. Wij kenden geen honger. Vader sleepte voortdurend zakken rogge, tarwe en vlees aan, verdiend met slachten van vee, getroffen door het granaatvuur of clandestien geslacht.

Er was gebrek aan alles, urenlang stonden de mensen in de rij voor een beetje groente, af en toe kwam er nog water uit de kraan, de gasfabriek stopte wegens gebrek aan cokes. We hadden geen zeep en schoonmaakmiddelen meer, we vervuilden. Hier en daar zette moeder een oliedrijvertje op tafel met een kort kaarslontje, of een stinkende carbidlamp. Je kon elkaar dan tenminste zien, maar dat was dan ook alles. Ons huis, werd tweemaal door een blindganger (niet ontplofte) granaat getroffen. Met een gat in muur en dak viel de schade mee. Oost Europeanen in Duitse dienst maakten met plunderingen de omgeving onveilig. Wennen aan een normale maatschappij, viel tegen want we waren als jeugd volkomen verwilderd.

Tijdens de oorlog waren we gewend alles te roven wat maar voor handen kwam. Uit de veldkeukens van het Duitse leger pikten we broden en Duitse worst. Autobanden jatten we uit de fourageerdepots. Ik begrijp heden ten dage nog steeds niet waar ik toen de moed vandaan haalde. Uit de naburige bossen hakten we bomen, om de kachel te kunnen stoken. Dit ondanks het strenge verbod van de Duitse Ortskommandant. 17 september 1944 tijdens de luchtlandingen te Arnhem begon voor mij de Tweede Wereldoorlog. Wie zo’n periode intens heeft meegemaakt, kan er maar niet van los komen.

Hans Roelofs