enquete
 
Bekkema
 
warrenhove
 
damhus
 
bewegingscentrum
 
abd pluskrant banner
 
humanitas
 
museumdr8888
 
smelneserfskip
 
meldij
 
rebbers
 
Uitinmedia

 Lindeboom

 

nieuwsbrief sunenz

Onlangs, het was een mooie zonnige dag , fietste ik vanaf de Gauke Boelensstraat naar het Kyriat Onoplein. Er was op dat moment plaats genoeg voor mij en een grote Volvo die langzaam naast mij reed. Geleidelijk week hij van de rechte lijn af en drukte mij steeds verder opzij. Ik riep een waarschuwing. De Volvo bleef echter doordrukken. Ik keek opzij en zag dat de bestuurder met één hand aan het stuur en de andere aan zijn oor, druk in gesprek was. Ik slaakte een tweede kreet, maar hij hoorde mij niet. De chique  geklede vrouw naast hem keek strak voor zich uit, alsof ze het wel gewend was dat er naar haar geschreeuwd werd. Het was duidelijk dat er ingegrepen moest worden. Allereerst redde ik mijzelf door met de fiets het trottoir op te botsen, waarbij een niets vermoedende wandelaar zich wezenloos schrok.

De Volvo sukkelde intussen rustig verder. "Dat gaat zo maar niet, hufter", siste ik. Met een sprong op mijn fiets zette ik de achtervolging in en passeerde de Volvo, trapte mijn fiets in de slip en remde dwars voor zijn wielen. De bestuurder, een pafferige jonge man, keek met een verveelde blik naar het obstakel terwijl hij zijn telefoongesprek afmaakte. De vrouw rommelde intussen in haar tas en stak een sigaret op. De bestuurder klapte zijn mobiel dicht, opende langzaam zijn portier, hees zich naar buiten, met één arm op het dak en de andere op het portier zei hij: "Ja, wat mot je nou." Trillend van kwaadheid zei ik: "Wat ik moet? Ik moet niets! Jij moet uit je doppen kijken en niet ondertussen met je mobiele kunstpik in het oor wroeten." De vrouw schoot in de lach.

De bestuurder wierp een getergde blik naar binnen, maar ze deed of ze hem niet zag. In plaats daarvan draaide ze haar raampje open en blies een strakke rookpluim de lucht in. "Oké, jij je zin", zei hij. "Ga nou maar aan de kant, dan kan ik doorrijen." Hij maakte aanstalten weer achter het stuur te gaan zitten. Met mijn fiets aan de hand liep ik naar de kant van de auto waar de vrouw zat. Ze had helder blauwe ogen, die me vrijpostig opnamen. Ik zei: "En u, jongedame, zou uw partner aan het verstand moeten brengen dat handfree bellen verplicht is. Het is toch ook uw verantwoordelijkheid zorg te dragen voor de veiligheid?" Haar ogen schoten vol tranen. De man zat weer achter het stuur, maar voor hij kon starten opende de vrouw het portier en stapte uit. Zij bukte zich en zei eenvoudig: "Ajuu parapluu, je bent een patser en een proleet. Het ga je goed." Daarna liet ze zich elegant neer op mijn bagagedrager en sloeg haar armen om mij heen. Licht slingerend reden wij de zonsondergang tegemoet.

Miami