enquete
 
Bekkema
 
warrenhove
 
damhus
 
bewegingscentrum
 
abd pluskrant banner
 
humanitas
 
museumdr8888
 
smelneserfskip
 
meldij
 
rebbers
 
Uitinmedia

 Lindeboom

 

nieuwsbrief sunenz

We zijn hier allemaal binnengerold, binnengeduwd, binnengestapt, min of meer kwiek. Door de deuren die automatisch opengaan. Achter onze rollator, in onze elektrische rolstoel, op onze stramme benen. Wij vieren onze verjaardagen met taart en gezang. Sommigen van ons zijn nog heel goed bij stem. Anderen brommen. Anderen piepen of fluisteren. Vrouwen zijn veruit in de meerderheid. Wij zijn niet hulpbehoevend. Niet zo hulpbehoevend dat we onszelf niet kunnen redden. Anders zaten we hier niet. Dit is een bejaardenhuis, geen verpléégtehuis. De regels van het huis zijn duidelijk. Een bewoner moet zich zonder hulp van het personeel kunnen voortbewegen. Moet zich zelfstandig kunnen aan- en uitkleden en zonder assistentie naar de wc of in bad kunnen gaan. Moet kunnen omgaan met andere bewoners. Moet zijn eigen kamer kunnen terugvinden zonder hulp. Ik kan me prima redden. Weliswaar niet zonder handicaps. Ik draag een bril en een gehoorapparaat. De ‘wereld draait door’ gaat nogal eens aan mij voorbij, gelukkig helpt de ondertiteling. Zwijgen doen we in het graf. Met mijn huisgenoten beslaan we een scala aan ouderdomsgebreken, zoals suikerziekte en hoge bloeddruk. We hebben een hartkwaal of de ziekte van Parkinson. Ooit speelden we piano, we maakten meubels. ''Mijn dochter heeft mijn gereedschap weg gegeven.'' Onze vingers weigeren dienst. Meerdere bewoners hebben al een keer of vier een beroerte gehad. De rechterhanden trillen elke keer sterker. Je moet ze een gelatinepuddinkje zien eten. Het spreken valt zwaarder. ''Aan de telefoon verstaan ze al helemaal niet wat ik uitkraam.'' Maar zwijgen doen we niet. Zwijgen doen we in het graf. We woonden nog lang op onszelf. Opeens durfden we geen auto meer te rijden. We zagen het niet scherp meer. Soms droomden we weg onderweg. Het eten smaakte niet meer. De kinderen maken zich zorgen. Zeker nadat ik van de trap viel, een tia kreeg, een flauwte had. Ze zeiden dat het huis en tuin verslonsde. Moet je zien wat een wildernis het nu is.'' Ja, ik was bang geworden. Bang voor onheil waar ik nooit bang voor was geweest. Bang voor vreemdelingen. Bang voor inbrekers. Bang omdat onze kinderen bang waren om mij. Dit huis is een uitkomst, mijn redding, een toevluchtsoord. Ik betaal een stevig bedrag voor een tweekamerappartement met bad. We krijgen korting als ons inkomen niet toereikend is. Alle maaltijden zijn inbegrepen. Net als de wekelijkse schoonmaak. Alle activiteiten zijn ook inclusief. Zoals bingo, kaarten, sporten, gebedsdiensten, puzzelen, domino spelen en film. Wassen en strijken doe ik zelf. Dit is mijn laatste of één-na-laatste thuis. Gemiddeld woont men hier drie tot vier jaar. Er zijn uitschieters. Bij de vrouwen: één van twaalf jaar, bij de mannen: negen jaar. Mijn appartement is volgestouwd met meubels die we al een leven achter ons aansleepten. '' Dat tafeltje is nog van mijn moeder geweest.'' De muren hangen vol foto''s. De kinderen wonen in de randstad. Ze hebben het altijd druk. De meeste van mijn vrienden zijn dood. 'Ik ben blij dat ik niet bij een van de kinderen ben ingetrokken. Hier heb ik mijn vrijheid nog.'' Hier heeft men zorg voor elkaar. Wij kijken naar elkaar om. Als Sjoukje geen fleurig sjaaltje om heeft, dan weten we dat haar iets mankeert. Zij kleedt zich altijd met zorg. En als Dirk zijn koffie niet gulzig drinkt, dan merken wij dat op. Ook personeelsleden zien hoe het met ons gesteld is. Serveersters, keukenpersoneel, klusjesman, directrice. Zij kennen ons bij naam. Wij kennen hen bij naam. We hebben elkaar nog veel te vertellen. Onze geheugens dekken een eeuw. We herinneren ons de crisis van de jaren dertig beter dan de recente hypothekencrisis. Hoe vader stad en land afliep voor werk. Hoe onze buurjongen op school flauwviel van de honger. We herinneren ons de Tweede Wereldoorlog. Drie keer per dag delen we tafel nummer 7. We wisselen geen woord. We hebben geen zin om te praten. Alles wat gezegd moet worden, is al eens gezegd. We voelen ons bevoorrecht. We leven ons leventje.’