enquete
 
Bekkema
 
warrenhove
 
damhus
 
bewegingscentrum
 
abd pluskrant banner
 
humanitas
 
museumdr8888
 
smelneserfskip
 
meldij
 
rebbers
 
Uitinmedia

 Lindeboom

 

nieuwsbrief sunenz


‘Ik ga graag op stap met vrienden. We gaan geregeld uit eten en een drankje doen, gewoon gezellig’. Helemaal vanzelfsprekend is dat niet, want Annemarie moet dan maar net het goede café of restaurant uitkiezen. Niet overal kan ze zomaar binnen in haar elektrische rolstoel.


Deur als opritje
Toch heeft ze veel goede ervaringen. Zoals in dat ene café waar ze met haar vrienden voor de deur stond en waar de drempel bij de ingang toch echt iets te hoog was om naar binnen te kunnen. ‘Een opritje hadden ze niet. Weet je wat de mensen van dat café toen deden? Ze tilden gewoon een zware deur uit het kozijn en legden die voor mij neer als opritje naar binnen. Geweldig! Dan ben je echt welkom.’


Te veel plaats innemen
Helaas heeft ze ook andere ervaringen. Meestal heeft dat te maken met een gebrek aan gastvrijheid. ‘Ik ben ooit ergens geweigerd, letterlijk met de mededeling dat ik met mijn rolstoel te veel plaats in beslag neem. Op mijn plaats zouden drie andere mensen kunnen zitten. Nou dat voel je wel van binnen. Ik probeer er altijd boven te staan, maar soms raakt het je. Dan kies ik het hazenpad.’


Ongeduld
Gastvrijheid betekent ook geduld opbrengen voor mensen met een beperking. Annemarie eet wat langzamer ‘omdat het bij mij nou eenmaal iets meer gedoe is’. Een enkele keer maakt ze mee dat de bediening al met het hoofdgerecht komt, terwijl ze nog lekker aan het voorgerecht zit. Ze willen dan dat ze haast maakt. ‘Ongeduldig personeel, dat kan flink storen. Ook als ze om de paar minuten komen kijken of het wel opschiet. Vaak gebeurt dat als er andere mensen wachten op een plekje in het restaurant.’


Aantrekkelijk
‘Een gastvrije ontvangst van mensen met een beperking hoeft de horeca niets te kosten en het maakt een wereld van verschil voor ons’, zegt Annemarie. ‘In de keuken kan het voedsel gesneden op het bord worden gelegd, zodat ik het makkelijker kan opeten. De leukste restaurants weten het dan ook nog aantrekkelijk te presenteren. Erg goed is dat. Nog een voorbeeld: er is een café waar ik een lichter glas kan krijgen, wat voor mij het drinken vergemakkelijkt. Ook helpt het als er niet te veel fietsen en borden bij de uitgang staan. Dan voel je je ook prettiger.’


Viltjes onder de tafel
Annemarie komt af en toe in De Beren, een landelijke keten van restaurants. Tegenwoordig hebben ze mooie hoge eettafels waar ze met de rolstoel bij kan. Toen ze de oude lage tafels nog hadden, moest Annemarie altijd eerst even bellen. Dan zorgde het personeel dat er onder elke tafelpoot een torentje bierviltjes was gestapeld, zodat ze er makkelijker kon aanschuiven. ‘Zoiets hé. Daar krijg ik een warm gevoel van. Dat is gastvrije horeca. En het kost de horeca-ondernemer geen cent.’

Annemarie Verbunt

Onlangs, het was een mooie zonnige dag , fietste ik vanaf de Gauke Boelensstraat naar het Kyriat Onoplein. Er was op dat moment plaats genoeg voor mij en een grote Volvo die langzaam naast mij reed. Geleidelijk week hij van de rechte lijn af en drukte mij steeds verder opzij. Ik riep een waarschuwing. De Volvo bleef echter doordrukken. Ik keek opzij en zag dat de bestuurder met één hand aan het stuur en de andere aan zijn oor, druk in gesprek was. Ik slaakte een tweede kreet, maar hij hoorde mij niet. De chique  geklede vrouw naast hem keek strak voor zich uit, alsof ze het wel gewend was dat er naar haar geschreeuwd werd. Het was duidelijk dat er ingegrepen moest worden. Allereerst redde ik mijzelf door met de fiets het trottoir op te botsen, waarbij een niets vermoedende wandelaar zich wezenloos schrok.

De Volvo sukkelde intussen rustig verder. "Dat gaat zo maar niet, hufter", siste ik. Met een sprong op mijn fiets zette ik de achtervolging in en passeerde de Volvo, trapte mijn fiets in de slip en remde dwars voor zijn wielen. De bestuurder, een pafferige jonge man, keek met een verveelde blik naar het obstakel terwijl hij zijn telefoongesprek afmaakte. De vrouw rommelde intussen in haar tas en stak een sigaret op. De bestuurder klapte zijn mobiel dicht, opende langzaam zijn portier, hees zich naar buiten, met één arm op het dak en de andere op het portier zei hij: "Ja, wat mot je nou." Trillend van kwaadheid zei ik: "Wat ik moet? Ik moet niets! Jij moet uit je doppen kijken en niet ondertussen met je mobiele kunstpik in het oor wroeten." De vrouw schoot in de lach.

De bestuurder wierp een getergde blik naar binnen, maar ze deed of ze hem niet zag. In plaats daarvan draaide ze haar raampje open en blies een strakke rookpluim de lucht in. "Oké, jij je zin", zei hij. "Ga nou maar aan de kant, dan kan ik doorrijen." Hij maakte aanstalten weer achter het stuur te gaan zitten. Met mijn fiets aan de hand liep ik naar de kant van de auto waar de vrouw zat. Ze had helder blauwe ogen, die me vrijpostig opnamen. Ik zei: "En u, jongedame, zou uw partner aan het verstand moeten brengen dat handfree bellen verplicht is. Het is toch ook uw verantwoordelijkheid zorg te dragen voor de veiligheid?" Haar ogen schoten vol tranen. De man zat weer achter het stuur, maar voor hij kon starten opende de vrouw het portier en stapte uit. Zij bukte zich en zei eenvoudig: "Ajuu parapluu, je bent een patser en een proleet. Het ga je goed." Daarna liet ze zich elegant neer op mijn bagagedrager en sloeg haar armen om mij heen. Licht slingerend reden wij de zonsondergang tegemoet.

Miami

De roze mens lijkt geboren! Op sommige punten begrijpelijk, want er is sprake van een algehele verruwing en verharding van de samenleving. De Groningse filosoof Frank Ankersmit is van oordeel, dat we in een dictatuur van onmacht leven. Het - ieder voor zich - principe is daar debet aan. Het tijdperk bloeit in alle geledingen van de samenleving. Het gedrag van jongerengroepen ergert veel mensen. Mensen raken snel geïrriteerd, kortom korte lontjes zijn een alledaags verschijnsel geworden. Schelden, middelvinger opsteken e.d. zijn nu alledaags en de soms buitenproportionele reacties daarop maken het nog erger. Beschimpen en bespugen behoort tot de gewoonste zaak van de wereld. Vooral politie, chauffeurs/conducteurs bij het openbaar vervoer, ambulance- en brandweerpersoneel worden, meestal zonder enige aanleiding, lastig gevallen. Van overheidszijde wordt geroepen dat er paal en perk aan moet worden gesteld. We leven in Nederland dicht op elkaar, we zijn mondig en eisen direct ons soms vermeend recht op. Dan is er maar weinig voor nodig gefrustreerd te raken. Ook de politiek spreekt zijn schande hierover uit en belooft een harde aanpak, Tot nu toe is het gebleven bij het oplaten van een luchtballon. De aangekondigde daden laten nog steeds op zich wachten. Mensen die alle dagen met agressie te maken hebben verliezen daardoor alle vertrouwen in de politiek, of gaan uit rancune op partijen stemmen die dit varkentje wel eens zullen wassen. Maar ook deze partijen roepen van alles van de politieke zijkant, maar dienen niet één motie in, die de Tweede Kamer voor een voldongen feit stelt. Waarom niet? Er worden genoeg overbodige moties ingediend. Een motie over agressiviteit is een terechte! De legitimiteit van de rechtsstaat komt namelijk in gedrang. Maar nee, in plaats daarvan gaan politici op de hurken zitten. Zij willen aardig gevonden worden en populariteit vergaren. Er ontstaan spanningen en tegenstellingen tussen personen en groepen. De verhouding tussen maatschappij als geheel en het individu lijkt verstoord en de overheid dreigt de grip op de samenleving te verliezen. Burgers krijgen de indruk, dat bijna alles met de politieke mantel der liefde word bedekt. De handen van politieagenten jeuken om in te grijpen, maar dat is verboden! Een tik uitdelen is gevaarlijk voor de agenten. Ze worden op het matje geroepen en vermanend toegesproken. De veroorzaker wordt de hand boven het hoofd gehouden en de oppasser voor de ordehandhaving wordt gestraft. De omgekeerde wereld! Ik ben een leek op het gebied van strafrecht, maar vertolk denk ik de gedachten van een groot aantal medeburgers. Rechters mogen best ook een korter lontje hebben!<

Wopke K. Hoekstra

Bovenstaande is geen typefout. Wellicht kent u Korenslag het programma van de EO, waarbij zangkoren elkaar de eeuwige roem betwisten. En eigenlijk gaat korenslaag daar ook wel een beetje over. Steeds meer zangkoren geven er de brui aan omdat de vergrijzing toeslaat en nieuwe leden zich nauwelijks aandienen. De eindjes zijn niet meer aan elkaar te knopen en tot overmaat van ramp wordt de gemeentelijke subsidie voor oud papier afgebouwd. Voor veel verenigingen toch een belangrijke bijdrage in hun financiële huishouding. Zo gaan veel koren verloren, en niet te vergeten een fijne hobby.

Voor (mee)zingen bent u aangewezen op de kerk of de douche. Een andere optie kan zijn éénmaal per maand karaoken in muziekcafé Scooters. De schuld van de vergrijzing? Dat zou wel een te eenvoudige uitleg zijn. De vraag dient ook gesteld te worden betreft het een zangkoor waar het  gezellig is, of  is het een gezelligheidsclub waar ook gezongen wordt?  Koorleden zijn daarover het dikwijls onderling oneens. Soms wordt er een balletje opgegooid over aanpassing van het repertoire. Of zingen in een andere taal dan het gebruikelijke. En dan is er de principiële vraag bij koren die het geestelijk repertoire vertegenwoordigen. Zingen we uitsluitend geestelijke liederen ter meerdere eer en glorie aan de Heer, of heeft de Heer mij ook lief als ik een ander repertoire zing? Al deze zaken worden vaak weggewuifd onder de noemer: ‘we doen het al jaren zo’. De werkelijke vergrijzing zit in die laatste zinsnede.

Wil een zangkoor aantrekkelijk zijn dan zal ‘t ook durven te  veranderen. Blijft ‘t uit gewoonte vasthouden aan datgene wat een groot deel van de koorleden als goed genoeg ervaart, betekent dat uiteindelijk haar ondergang. Een nieuwe, meer aantrekkelijke weg gaan, kost energie. Principiële keuzes moeten worden gemaakt. En de kennis en ervaring om zaken anders aan te pakken dient aanwezig te zijn. Ga er maar aan staan. Zou  een expertisecentrum voor zangkoren niet de oplossing zijn? Dan komen vraag en aanbod samen. Een zangkoorplan kan worden gemaakt  en onder deskundige leiding uitgevoerd. Bestuurstaken kunnen centraler geregeld worden, denk aan administratie, financiën (subsidieaanvragen), notuleren. Bijkomend voordeel, het stimuleert ook nog de (senioren)werkgelegenheid.

Maar het belangrijkste blijft dat mensen in welke vorm dan ook hun koorzanghobby kunnen blijven beoefenen. Zelfs als de kennis en ervaring ontbreekt onder leden van het koor om dit te kunnen verwezenlijken. Dan behoudt ook Smallingerland een Korenlaag. En dat is dan geen typefout.

Hans de Ridder

We zijn hier allemaal binnengerold, binnengeduwd, binnengestapt, min of meer kwiek. Door de deuren die automatisch opengaan. Achter onze rollator, in onze elektrische rolstoel, op onze stramme benen. Wij vieren onze verjaardagen met taart en gezang. Sommigen van ons zijn nog heel goed bij stem. Anderen brommen. Anderen piepen of fluisteren. Vrouwen zijn veruit in de meerderheid. Wij zijn niet hulpbehoevend. Niet zo hulpbehoevend dat we onszelf niet kunnen redden. Anders zaten we hier niet. Dit is een bejaardenhuis, geen verpléégtehuis. De regels van het huis zijn duidelijk. Een bewoner moet zich zonder hulp van het personeel kunnen voortbewegen. Moet zich zelfstandig kunnen aan- en uitkleden en zonder assistentie naar de wc of in bad kunnen gaan. Moet kunnen omgaan met andere bewoners. Moet zijn eigen kamer kunnen terugvinden zonder hulp. Ik kan me prima redden. Weliswaar niet zonder handicaps. Ik draag een bril en een gehoorapparaat. De ‘wereld draait door’ gaat nogal eens aan mij voorbij, gelukkig helpt de ondertiteling. Zwijgen doen we in het graf. Met mijn huisgenoten beslaan we een scala aan ouderdomsgebreken, zoals suikerziekte en hoge bloeddruk. We hebben een hartkwaal of de ziekte van Parkinson. Ooit speelden we piano, we maakten meubels. ''Mijn dochter heeft mijn gereedschap weg gegeven.'' Onze vingers weigeren dienst. Meerdere bewoners hebben al een keer of vier een beroerte gehad. De rechterhanden trillen elke keer sterker. Je moet ze een gelatinepuddinkje zien eten. Het spreken valt zwaarder. ''Aan de telefoon verstaan ze al helemaal niet wat ik uitkraam.'' Maar zwijgen doen we niet. Zwijgen doen we in het graf. We woonden nog lang op onszelf. Opeens durfden we geen auto meer te rijden. We zagen het niet scherp meer. Soms droomden we weg onderweg. Het eten smaakte niet meer. De kinderen maken zich zorgen. Zeker nadat ik van de trap viel, een tia kreeg, een flauwte had. Ze zeiden dat het huis en tuin verslonsde. Moet je zien wat een wildernis het nu is.'' Ja, ik was bang geworden. Bang voor onheil waar ik nooit bang voor was geweest. Bang voor vreemdelingen. Bang voor inbrekers. Bang omdat onze kinderen bang waren om mij. Dit huis is een uitkomst, mijn redding, een toevluchtsoord. Ik betaal een stevig bedrag voor een tweekamerappartement met bad. We krijgen korting als ons inkomen niet toereikend is. Alle maaltijden zijn inbegrepen. Net als de wekelijkse schoonmaak. Alle activiteiten zijn ook inclusief. Zoals bingo, kaarten, sporten, gebedsdiensten, puzzelen, domino spelen en film. Wassen en strijken doe ik zelf. Dit is mijn laatste of één-na-laatste thuis. Gemiddeld woont men hier drie tot vier jaar. Er zijn uitschieters. Bij de vrouwen: één van twaalf jaar, bij de mannen: negen jaar. Mijn appartement is volgestouwd met meubels die we al een leven achter ons aansleepten. '' Dat tafeltje is nog van mijn moeder geweest.'' De muren hangen vol foto''s. De kinderen wonen in de randstad. Ze hebben het altijd druk. De meeste van mijn vrienden zijn dood. 'Ik ben blij dat ik niet bij een van de kinderen ben ingetrokken. Hier heb ik mijn vrijheid nog.'' Hier heeft men zorg voor elkaar. Wij kijken naar elkaar om. Als Sjoukje geen fleurig sjaaltje om heeft, dan weten we dat haar iets mankeert. Zij kleedt zich altijd met zorg. En als Dirk zijn koffie niet gulzig drinkt, dan merken wij dat op. Ook personeelsleden zien hoe het met ons gesteld is. Serveersters, keukenpersoneel, klusjesman, directrice. Zij kennen ons bij naam. Wij kennen hen bij naam. We hebben elkaar nog veel te vertellen. Onze geheugens dekken een eeuw. We herinneren ons de crisis van de jaren dertig beter dan de recente hypothekencrisis. Hoe vader stad en land afliep voor werk. Hoe onze buurjongen op school flauwviel van de honger. We herinneren ons de Tweede Wereldoorlog. Drie keer per dag delen we tafel nummer 7. We wisselen geen woord. We hebben geen zin om te praten. Alles wat gezegd moet worden, is al eens gezegd. We voelen ons bevoorrecht. We leven ons leventje.’

We zijn weer begonnen aan een nieuw jaar. Het lijkt wel of de jaren sneller voorbijvliegen dan vroeger toen je nog midden in je werkzame leven stond. Bij alle goede wensen die u ongetwijfeld hebt ontvangen voeg ik bij deze graag de mijne. Dat we, u zowel als ik, in 2017 dokter en belastinginspecteur buiten de deur mogen houden. En dat we onverhoopt niet achter de geraniums hoeven te zitten omdat we met onze tijd geen raad weten. Want er zijn jonge mensen die zich afvragen wat oudjes eigenlijk doen in de zeeën van tijd die Plussers nu eenmaal hebben. Dat die non-stop voor de TV hangen en zich eigenlijk maar vervelen.

Van die gedachte klopt natuurlijk niets. Het gros van de oudjes vermaakt zich best en er zijn er genoeg die zich afvragen hoe ze, bij alles wat ze onderhanden hebben, er vroeger ook nog bij konden werken. En uiteraard zijn er de gepensioneerden die een geheel eigen wijze van tijdspassering en vermaak hebben uitgevonden.

Zo vertelde een dierbare vriendin uit Den Haag mij bij de uitwisseling van wederzijdse goede wensen het volgende verhaal, dat ze hoorde van haar 80-jarige buurman. Die vertelde: “Waren mijn vrouw en ik laatst de stad in om wat boodschappen te doen, kwamen we uit een winkel en heus, wij waren nog geen tien minuten binnen geweest maar daar stond al een agent die een bon onder de ruitenwisser van de auto stopte. Wij naar hem toe om hem te bewegen die bon ongedaan te maken. Hé jongen zei ik, want het was een nog baardeloos maar wel parmantig kereltje. Hé jongen, je kunt dat voor een oude man toch wel door de vingers zien? Maar hij keek ons strak aan en liet de bekeuring waar hij was.

Toen zei ik: Vind je jezelf eigenlijk geen gore klootzak ?! Hij kwam spoorslags terug, zei niets, schreef een nieuwe bon uit en stopte die bij de andere onder de ruitenwisser. Dus vroeg mijn vrouw of hij een wit voetje bij zijn baas wou halen en dat hij eigenlijk een vuile fascist was. De man liep rood aan, zei nog niks, en schreef een derde bon uit die hij bij de andere onder de ruitenwisser plakte. Dat ging zo een twintig minuten door. Hij klemde zijn kaken op elkaar, van rood werd hij paars. En hoe meer we hem beledigden, hoe meer bonnen hij schreef.

Ach, persoonlijk hadden we er later geen last van. Wij waren gewoon met de bus naar het centrum gegaan. Maar ja, wij proberen iedere dag wat plezier in ons leven te maken. Want dat is belangrijk op onze leeftijd.”

Miami

Laagveen als leefgebied voor libellen

Laagvenen zijn moerasgebieden op de grens van hoog naar laag Nederland, die ontstaan zijn door turfwinning in het verleden. Meestal zijn in een dergelijk gebied veel sloten, kleine plassen (petgaten) en grote plassen ontstaan. Vooral de kleinere wateren groeien door natuurlijke vegetatieontwikkeling dicht met planten. Dit proces wordt verlanding genoemd en zonder ingrijpen kan dit zover doorgaan tot er uiteindelijk weer bos ontstaat. Voor libellen zijn verlandende wateren zeer waardevolle biotopen. Laagveen in dit stadium is rijk aan variatie zoals ondergedoken waterplanten, drijvende waterplanten die uit het water steken en veel verschillende planten op de waterkant. Er komen dan ook vele soorten libellen voor in de laagveengebieden.

Laagveengebieden zijn het meest soortenrijk als ze naast de variatie in begroeiing ook schoon, matig voedselrijk water hebben. Een bijzonder en soortenrijk watertype zijn sloten en petgaten die begroeid zijn met o.a. krabbenscheer. De larven van veel libellensoorten vinden een prima onderkomen tussen de stekelige bladeren van deze waterplant. De groene glazenmaker (zeldzame soort) zet haar eitjes af uitsluitend in krabbenscheer. Uiteraard zijn er ook bedreigingen voor de prachtige verlandingsvegetaties en dus ook voor de laagveenlibellen. Watervervuiling heeft in veel watergebieden geleid tot het verdwijnen van deze prachtige verlandingvegetaties.

Vervuild water van buiten leidt dikwijls tot problemen. De snelgroeiende planten winnen het dan van vele andere zeldzame soorten. Zonder ingrijpen zorgt het natuurlijke proces van verlanding ervoor dat een laagveengebied met libellen verandert in een bos zonder libellen. Dit maakt het nodig dat er af en toe petgaten en sloten open gemaakt worden, zodat de verschillende verlandingstadia aanwezig blijven. Maar teveel beheer leidt ook tot problemen omdat een aantal plantensoorten niet in een keer mogen worden weggehaald. De libellen in het laagveen zijn dus gebaat bij maatregelen die gericht zijn op het behoud van sloten en petgaten in verschillende stadia van verlanding. Dat betekent dat op gezette tijden een deel van de wateren moet worden vrijgemaakt van vegetatie. Ook kunnen er nieuwe petgaten worden gegraven.

Door het waterbeheer op verschillende tijden te laten plaatsvinden, blijft de afwisseling behouden en vinden libellen ieder jaar opnieuw geschikte voortplantingsplaatsen. Ook het maaien van oevervegetaties kan het beste gefaseerd gebeuren. Naast een goede verhouding van planten in het water kan ook op het land gezorgd worden voor een afwisseling van graslanden, ruigte en bos. Hierdoor ontstaan luwe plekken die geschikt zijn als jacht en rijpingsgebied voor volwassen libellen. Enkele algemeen voorkomende libellen in het laagveen zijn de grote roodoogjuffer en vuurjuffer. Zeldzame soorten zijn o.a. noordse winterjuffer, groene glazenmaker, gevlekte glanslibel.

Roel Vriesema, boswachter Staatsbosbeheer regio Noord

Om in politiek en openbaar bestuur iets te bereiken is meer nodig dan een simpele meerderheid. Draagvlak en keuzes in de politiek zijn minstens zo belangrijk. Politiek bedrijven en besturen van overheden zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dat moet het fundament van politiek zijn. Doet het dat niet, dan krijgt een partij nooit voldoende steun in de samenleving. Politiek bestuur mag niet uitmonden in technocratisch bestuur. Een dergelijk soort bestuur spreekt kiezers niet aan. Een ander onmisbaar aspect is het beschikken over een boegbeeld. Een persoon die duidelijk maakt waarvoor een partij staat in zijn politieke aspiraties. Het feit doet zich voor dat het daar tegenwoordig aan schort. Kiezers lopen bij de traditionele partijen weg, omdat ze de indruk hebben hun oorspronkelijke identiteit te missen.

De kiezers zoeken dan, veelal uit ongenoegen, hun heil bij populistische partijen. Ze laten hierdoor blijken, zich niet meer thuis te voelen bij hun eigen vertrouwde partij. Vooral zwevende kiezers zoeken gemakkelijk een zondebok. Protestpartijen spelen vooral in op die ontevredenheid en proberen hier een politiek slaatje uit te slaan. Met dit feit zullen vooral de traditionele partijen rekening mee moeten houden.

De PvdA is o.a. zo'n partij die hieraan lijdt. Bij de komende Tweede Kamerverkiezingen in 2011 zal deze partij wel eens een veer moeten laten. De PvdA-jongeren, toch de kweekvijver van hun partij, verwijten de PvdA-leiding, de werkelijkheid kwijt te zijn en bezieling te missen. Een partij in de rui heeft direct geen nieuwe veren en moet jaren achtereen vechten om het verloren terrein te herwinnen. Dat is dan ook de les die men heeft moeten leren. De vraag die zich voordoet is, heeft de PvdA alleen nog bestaansrecht in de toekomst? Er zijn teveel partijen die dezelfde identiteit proberen uit te stralen en daardoor elkaars concurrenten zijn geworden. Denkt u maar dat naast de PvdA, ook de Socialistische Partij en Groen Links in dezelfde politieke vijver vissen. Linkse onderwerpen weten ook zij trefzeker onder hun hoede te brengen.

Het CDA is jaren geleden ontstaan uit een aantal andere christelijke partijen. Nadat ideologische standpunten over boord waren gezet is gewenning opgetreden en is het nu een sterke politieke partij. Dit zou een voorbeeld kunnen zijn voor de linkse partijen. Tijden veranderen, ook in de politiek. Op tijd de politieke bakens verzetten kan geen kwaad. Een ander voordeel kan zijn, dat het aantal partijen kleiner wordt en de kiezer uit een kleiner assortiment keus kan maken. Een kleiner aantal partijen in de Tweede Kamer komt waarschijnlijk de besluitvorming ten goede.

Wopke K. Hoekstra

fietsen Naamloos

Foto: Jolanda Hennekam

 

"Ik zou ook graag weer eens fietsen!", zei de oude mevrouw van 97. We ontmoetten elkaar in de wachtkamer van mijn tandarts.
Het was de eerste warme lentedag in april en daarom was ik op de fiets gekomen. Langs een route, waar alles prachtig stond te groeien en te bloeien. "Maar dat kan niet meer", verzuchtte ze - en trok sipjes de rollator wat meer naar zich toe.
Zij is helaas niet de enige. Veel meer ouderen zouden ook graag buiten fietsen. Maar ze kunnen of durven dat niet meer. Dus blijven ze maar binnen zitten. Terwijl ze juist in beweging moeten blijven.

Woonzorginstelling De Kim in Hoogeveen heeft er iets op gevonden. Sinds kort kunnen bewoners daar virtueel fietsen door Hoogeveen. Dat kan met het Fietslabyrint. Dit is een beeldscherm aangesloten op een bewegingstrainer. Het systeem is interactief, d.w.z. dat je kunt kiezen of je rechts of links afslaat op een kruispunt. De route staat niet vast. Zo kunnen ze Hoogeveen op verschillende manieren verkennen. Je kunt ook door andere plaatsen fietsen, in binnen- en buitenland. Als je stopt met fietsen staat de route op het scherm ook stil. Zo word je uitgedaagd om verder te fietsen zonder dat het saai wordt, omdat je wilt zien wat er verderop gebeurt. De tijd vliegt om en eer je er erg in hebt, heb je een half uur of langer getraind.

Volgens de ontwerpers van Fietslabyrint houdt hun product de gebruikers niet alleen fit, maar stimuleert het ook de hersenen. Als ouderen een route fietsen door een plaats die ze kennen van vroeger, herkennen ze vaak allerlei straten, huizen en gebouwen. Dit geeft een stukje herkenning en houvast. En het zorgt vaak ook voor sociale activiteit: als medebewoners of verzorgers erbij komen zitten, worden er vaak herinneringen opgehaald en ontstaat er een gesprek.

Ook voor mensen met dementie is het Fietslabyrint een mooie uitvinding. Voor deze doelgroep zijn fietstochten door steden vaak net iets te druk. Maar er zijn ook fietstochten die een stuk rustiger zijn en daardoor meer geschikt. Bijvoorbeeld door de duinen, de Bollenstreek, over de Veluwe, langs het Gardameer of op een waterfiets in de grachten . Het geluid van spelende kinderen, blaffende honden, kerkklokken en de fietsbel maakt de route extra levendig en echt.

Misschien is het Fietslabyrint ook iets voor die oude mevrouw bij de tandarts. Maar zij woont niet in Hoogeveen en bij haar hebben ze deze mogelijkheden nog niet. Jammer!

Jolanda Hennekam

Meer informatie:
http://www.fietslabyrint.nl/
http://tinyurl.com/h54x5p5

Iedereen moet inburgeren. Niet alleen buitenlanders. Oké, ze moeten dan wel de goede papieren hebben. Nederlanders krijgen die cadeau bij de geboorte. Maar inburgeren, moeten we allemaal. Doen we het zelf, of worden we ingeburgerd? Kijk naar de kinderen: van meet af aan storten ze zich uit alle macht op deze uitdaging. Vrijwillig. Onvoorwaardelijk. Ze zijn erop geformatteerd, zou je kunnen zeggen. Al weer een geboortecadeautje.

Met behulp van hun meegeleverde programma leren kinderen praten, lopen, fietsen en computeren. Dat neuzen ze van ons af. Dat leren ze ook in de omgang met de dingen zelf. Relaties en ervaringen zijn kernwoorden bij het inburgeren. Kinderen houden zich daarbij niet aan schooltijden en lesroosters. Ze leren continu. Hoewel ze dat zelf niet zo noemen.

Om iets te benoemen moet je afstand nemen. Er is één plek waar dat gebeurt: de school. Boven de ingang van de school staat in onzichtbare woorden: Verboden voor wie niet wil leren. We hebben het schoolgaan wel verplicht gesteld. Daardoor raken we nu en dan in de problemen. Want leren verplicht stellen is overbodig: een mens kan het gewoon niet laten. Met leerplicht bedoelen we kennelijk iets anders. Het echte leren gebeurt in school, niet daarbuiten.

De school is een enorm inburgeringproject. Kosten noch moeiten worden gespaard. Er gaat geen week voorbij of de media hebben het er over. Zelfs op internationaal niveau is het een steeds terugkerend thema. Het eerste wat ontwikkelingslanden te doen staat is: scholen bouwen. Doen we het zelf of worden we ingeburgerd? Is het ingebouwde leerprogramma van mensen compatible met het leerprogramma van de school? Staan relaties en ervaringen (de motoren van het leren) ook binnen de school centraal? En van wie is de school eigenlijk?

Oké, de school is van de ouders. Of niet soms? Ze is, naast het gezin en de familie, de plek waar het inburgeringproces wordt aangestuurd. Het is daarom niet alleen verstandig maar zelfs noodzakelijk dat school en gezin regelmatig contact hebben. Niet alleen over de vraag: Wat moet dit kind weten en kunnen? Maar vooral over de vraag: Welke ervaringen heeft dit kind nodig om zich voldoende te kunnen ontwikkelen? En: welke relatie’s met mensen, met de natuur, met de dingen, met….? Het nieuwe schooljaar is een goed moment om voor de komende tijd samen een lijst daarvoor op te stellen. Doen we het zelf niet, dan wordt het door anderen gedaan. Maar anders.

Tom de Boer